Paragraaf 4Gelovigen kunnen vallen in verzoekingen

En hoewel die macht Gods,
waardoor Hij de ware gelovigen in de genade bevestigt en bewaart,
meerder is, dan dat zij van het vlees zou kunnen overwonnen worden, a
zo worden nochtans de bekeerden niet altijd alzo van God geleid en bewogen,
dat zij in sommige bijzondere daden door hun eigen schuld
van de leiding der genade niet zouden kunnen afwijken,
en van de begeerlijkheden des vleses verleid worden, en die volgen.
Daarom moeten zij gestadiglijk waken en bidden
dat zij niet in verzoekingen geleid worden. b
En zo zij dit niet doen, zo kunnen zij niet alleen door het vlees,
de wereld en den satan tot zware en ook gruwelijke zonden vervoerd worden,
maar worden zij ook inderdaad, door Gods rechtvaardige toelating,
daartoe somwijlen vervoerd;
gelijk het droevige vallen van David, Petrus, en andere heiligen,
dat ons in de Schrift beschreven is, bewijst. c

Bewijsteksten

a

En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht. Efeze 1:19

b

Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. Mattheüs 26:41

Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn. 1 Thessalonicenzen 5:6

Bidt zonder ophouden. 1 Thessalonicenzen 5:17

c

Zo geschiedde het tegen den avondtijd, dat David van zijn leger opstond, en wandelde op het dak van het koningshuis, en zag van het dak een vrouw, zich wassende; deze vrouw nu was zeer schoon van aanzien. En David zond henen, en ondervraagde naar deze vrouw; en men zeide: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de huisvrouw van Uria, den Hethiet? Toen zond David boden henen, en liet haar halen. En als zij tot hem ingekomen was, lag hij bij haar, (zij nu had zich van haar onreinigheid gezuiverd), daarna keerde zij weder naar haar huis. 2 Samuël 11:2-4

En hij loochende het wederom met een eed, zeggende: Ik ken den Mens niet. En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: Waarlijk, gij zijt ook van die, want ook uw spraak maakt u openbaar. Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den Mens niet. En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk. Mattheüs 26:72-75

origineel
SV
onder tekst
16
leermodusleren