Paragraaf 15 God laat sommige mensen liggen in hun zondige toestand

Deze eeuwige en onverdiende genade van onze verkiezing
wijst en prijst ons de Heilige Schrift daarmede allermeest aan,
dat zij wijders getuigt, dat niet alle mensen zijn verkoren,
maar sommigen niet verkoren, of in Gods eeuwige verkiezing voorbijgegaan, a namelijk die,
welke God naar Zijn gans vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen
besloten heeft in de gemene ellende te laten,
in dewelke zij zichzelf door hun eigen schuld hebben gestort,
en met het zaligmakend geloof en de genade der bekering niet te begiftigen,
maar hen, in hun eigen wegen en onder Zijn rechtvaardig oordeel gelaten zijnde, b
eindelijk niet alleen om het ongeloof, maar ook om alle andere zonden,
tot verklaring van Zijn gerechtigheid, te verdoemen en eeuwiglijk te straffen.

En dit is het besluit der verwerping,
hetwelk God geenszins maakt tot een auteur van de zonde
(hetwelk godslasterlijk is te denken),
maar Hem stelt tot haar verschrikkelijken, onberispelijken
en rechtvaardigen Rechter en Wreker.

Let erop dat God uitverkorenen wel predestineert tot het geloof, maar dat Hij de niet-uitverkorenen niet predestineert tot het ongeloof of het oordeel. Ongeloof en andere zonden zijn niet het gevolg van de verwerping: ze zijn het gevolg van onze eigen onwil. Als een hoorder onder de evangelieboodschap niet gaat geloven, is dat niet omdat God die persoon tegenhoudt en het zou afkeuren dat die persoon de beloften in het evangelie gelooft. Die persoon kiest ervoor om ongelovig te zijn en het aanbod van God in het evangelie te verachten en te wantrouwen. Het besluit van verwerping houdt in dat God slechts heeft besloten om toe te laten dat sommige mensen zichzelf verharden in zonde en ongeloof. Het woordje ‘laten’ maakt dit ook duidelijk: God dwingt de (verharde) mens niet tot het kwaad, maar laat hem in de ruimte. In het uiterste geval zelfs om het evangelie, waarmee God de mens aanspreekt, te verwerpen.
Het besluit van verwerping is niet Gods intentie, maar het is Zijn reactie als Rechter, die uiteindelijk op de zonde van de mens reageert. Het woordje ‘uiteindelijk’ veronderstelt lang uitstel, als van iets wat men maar met moeite over zijn hart kan verkrijgen. Het wijst erop dat God dit straffen het liefst niet doet: het is een uiterste waar Hij uiteindelijk, als het niet meer langer kan, toe overgaat. Het herinnert er ook aan dat God geen vreugde vindt in de dood van de goddeloze, maar in zijn bekering (Ez. 33:11).

Bewijsteksten

a

En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, tot het verderf toebereid. Romeinen 9:22

Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. 1 Petrus 2:8

b

Welke in de verledene tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hun wegen. Handelingen 14:16

origineel
SV
onder tekst
17
leermodusleren