Paragraaf 5 Ongeloof is een zonde, geloof is een geschenk van God

De oorzaak of schuld van dat ongeloof, gelijk ook van alle andere zonden,
is geenszins in God, maar in den mens. a
Maar het geloof in Jezus Christus, en de zaligheid door Hem,
is een genadige gave Gods;
gelijk geschreven is:
Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave (Ef. 2:8).
Insgelijks: Het is u gegeven in Christus te geloven (Filipp. 1:29).

Het woord ‘oorzaak’ wordt alleen gebruikt in verband met het ongeloof, want de oorzaak van het ongeloof ligt in de mens. Door de zonde zit de mens gevangen in de macht van de zonde en de duivel en zolang hij zijn weg buiten God gaat, reageert hij op het evangelie, waarin God hem aanspreekt, met weerstand en ongeloof. In dit artikel wordt aan ‘oorzaak’ ook ‘schuld’ toegevoegd. Dat betekent dat de mens op zijn ongeloof aanspreekbaar blijft: ongeloof is een daad van afwijzing op de persoonlijk gerichte aanspraak van God. Waar het Woord geloof vindt, komt er een omkering: van de levensrichting en herstel van de relatie met God. De mens is tot deze omkering zelf niet in staat, maar God breekt het verzet en maakt dat Zijn Woord wordt geloofd.

Bewijsteksten

a

Dewijl dan blijft, dat sommigen in dezelve rust ingaan, en degenen, dien het Evangelie eerst verkondigd was, niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid. Hebreeën 4:6

Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. 1 Petrus 2:8

origineel
SV
onder tekst
17
leermodusleren