Paragraaf 2De inwonende zonde

Omdat de gelovigen niet genoeg kracht hebben om hun slechtheid te overwinnen, handelen ze steeds weer verkeerd. Dit is voor hen steeds weer reden om zich klein te maken voor God en hulp te zoeken bij Christus en om door gelovig te bidden en goed te handelen hun slechtheid de baas te worden en sterk te verlangen naar de tijd dat ze volmaakt zullen zijn. Na hun dood zullen ze dan, volledig van hun slechtheid bevrijd, met Christus, het Lam van God, in de hemel regeren (Vergelijk Op. 5:8-10).

Met toestemming overgenomen uit: De Dordtse Leerregels, vertaald in gewoon Nederlands; vertaald door Freerk Jan Berghuis, Jaap Jonker, George Nieboer, Rein Tromp, Pieter G.B. de Vries, Zwanetta de Vries-Por, Otto B. Wiersma en Simone Wiersma-Wieringa, 1983, Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak

Bewijsteksten

a

Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons. 1 Johannes 1:8

b

Opdat wij door twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke troost zouden ontvangen, wij die bij Hem de toevlucht genomen hebben om de hoop die voor ons ligt, vast te houden. Hebreeƫn 6:18

c

Dood dan uw leden die op de aarde zijn: ontucht, onreinheid, hartstocht, kwade begeerte, en de hebzucht, die afgoderij is. Kolossenzen 3:5

Maar verwerp de onheilige en onzinnige verzinsels en oefen uzelf in de godsvrucht. Want de oefening van het lichaam is van weinig nut, maar de godsvrucht is nuttig voor alle dingen, omdat zij de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven heeft. 1 TimotheĆ¼s 4:7-8

Niet dat ik het al verkregen heb of al volmaakt ben, maar ik jaag ernaar om het ook te grijpen. Daartoe ben ik ook door Christus Jezus gegrepen. Filippenzen 3:12

Maar één ding doe ik: vergetend wat achter is, mij uitstrekkend naar wat voor is, jaag ik naar het doel: de prijs van de roeping van God, die van boven is, in Christus Jezus. Filippenzen 3:14

d

Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood? Romeinen 7:24

En ik zag, en zie: te midden van de troon en van de vier dieren en te midden van de ouderlingen stond een Lam als geslacht, met zeven hoorns en zeven ogen. Dat zijn de zeven Geesten van God, die uitgezonden zijn over heel de aarde. Openbaring 5:6

En U hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters, en wij zullen als koningen regeren over de aarde. Openbaring 5:10

hedendaags
HSV
onder tekst
16
leermodusleren