1

Gelovigen worden verlost van de overheersende macht van de zonde, maar niet van de oude mens

Volgens zijn plan vertrouwt God een bepaald aantal mensen toe aan Jezus Christus en Hij maakt nieuwe mensen van hen door het werk van de Heilige Geest. Hij bevrijdt hen, zodat het kwaad hen niet meer als slaven in zijn macht houdt. Dat wil nog niet zeggen, dat het verkeerde volkomen uit hun leven verdwenen is.

2

De inwonende zonde

Omdat de gelovigen niet genoeg kracht hebben om hun slechtheid te overwinnen, handelen ze steeds weer verkeerd. Dit is voor hen steeds weer reden om zich klein te maken voor God en hulp te zoeken bij Christus en om door gelovig te bidden en goed te handelen hun slechtheid de baas te worden en sterk te verlangen naar de tijd dat ze volmaakt zullen zijn. Na hun dood zullen ze dan, volledig van hun slechtheid bevrijd, met Christus, het Lam van God, in de hemel regeren (Vergelijk Op. 5:8-10).

3

God is getrouw en houdt de gelovigen staande tot het einde

Zij die tot geloof gekomen zijn, zijn zelf niet in staat te blijven geloven. Het kwaad, voor zover dat hen nog in zijn greep heeft, en de verleidingen die van de ongelovigen en de duivel uitgaan, zijn daar de oorzaak van. Maar God is trouw! Hij heeft hun het geloof gegeven en geeft hun ook de kracht om tot het einde toe te blijven geloven.

4

Gelovigen kunnen vallen in verzoekingen

De macht van God, waardoor Hij de gelovigen bij hun geloof laat blijven, is dus altijd sterker dan de slechte aard van de mensen. Toch wordt het leven van de gelovigen niet zo door God gestuurd dat ze niets verkeerd kunnen doen. Soms worden ze verleid door hun slechte aard en gaan ze in tegen de leefregels die God gegeven heeft; dat is hun eigen schuld. Daarom moeten ze steeds op hun hoede zijn en ervoor bidden dat ze niet in verleiding gebracht worden. Anders is de kans groot dat ze afschuwelijke dingen gaan doen, daartoe aangezet door het slechte in henzelf, door de ongelovigen en door de duivel. Inderdaad laat God dat soms toe, en ook daarin is Hij rechtvaardig.
De Bijbel laat ons dit zien in het leven van David, Petrus en andere aan God toegewijde mensen. Zelfs zij begingen ernstige misstappen.

5

Het vallen in grove zonden heeft grote gevolgen

Hiermee maken de gelovigen God zeer toornig, verdienen ze de eeuwige dood en maken de Heilige Geest bedroefd. Ze maken dan geen ernst met hun geloof, doen hun geweten geweld aan en merken dan niets meer van wat God doet in hun leven. Maar wanneer ze oprecht berouw hebben en zich weer bekeren, merken ze dat Hij nog steeds hun Vader is.

6

God laat de gelovigen niet té ver vallen, want Zijn verkiezing is onveranderlijk

Want God ontfermt zich over zijn kinderen en ontneemt hun de Heilige Geest nooit helemaal, ook niet bij de meest ernstige misstappen. God laat het niet zover komen dat ze zich willens en wetens van Hem afkeren, zodat Hij ze als zijn kinderen zou verstoten en ze naar de hel zouden gaan. Want God zal zijn plan om bepaalde mensen als kind aan te nemen niet veranderen.

7

Door Zijn Woord en Geest vernieuwt God gevallen gelovigen tot bekering

Daarom houdt God vast aan het nieuwe begin dat Hij met een kind van Hem gemaakt heeft. Bovendien verandert de Heilige Geest iemand dan zo ingrijpend dat hij terugkomt van de door hem ingeslagen verkeerde weg. Hij krijgt oprecht berouw over zijn slechte daden, zoals God het wil. En met diep berouw in het hart vraagt hij kwijtschelding van zijn schuld. Die wordt hem ook kwijtgescholden, want Christus heeft er met zijn leven voor betaald. Hij ondervindt weer dat God zich met hem verzoend heeft en als blijk van zijn trouw zich over hem heeft ontfermd. Daarvoor dankt hij God en hij zet zich des te ijveriger in voor de komst van het rijk van God.

8

Door Gods genade en barmhartigheid volharden gelovigen tot het einde

Dit alles hebben deze mensen niet aan zichzelf te danken (alsof dat hun eigen prestatie was!) maar aan God. Hij ontfermt zich over hen, en alleen daardoor kunnen ze ervoor gespaard blijven dat ze hun geloof geheel en al kwijtraken, zich nooit en te nimmer weer bekeren en naar de hel gaan. Als het alleen aan henzelf lag, zou dat zonder meer gebeuren.
Maar het gebeurt niet, want wat God zich heeft voorgenomen, voert Hij ook uit. Hij breekt zijn beloftes nooit, en wie Hij uitgekozen heeft, laat Hij niet weer vallen. Ook Christus’ werk voor ons blijft altijd van kracht: Hij blijft voor ons pleiten en ons beschermen. Ook zal het werk van de Heilige Geest in ons nooit zonder gevolg blijven.

9

Gelovigen hebben zekerheid over hun volharding

De kinderen van God kunnen zelf zeker weten - en weten het ook dat ze gered worden en blijven geloven. Ze zijn hiervan des te meer overtuigd naarmate ze zekerder geloven dat ze bij de kerk horen en er ook voor altijd bij zullen blijven. Ook zijn ze er zeker van dat hun schuld is vergeven en dat ze eeuwig zullen leven.

10

Door geloof in Gods beloften, de Heilige Geest en een zuiver geweten is er zekerheid

Dat wij zo zeker zijn van onze redding komt niet van een of andere ingeving buiten de Bijbel om, maar doordat we geloof hechten aan de beloftes van God. Hij heeft ons die in de Bijbel uitvoerig bekend gemaakt om ons een stevig houvast te geven.
Daarbij maakt de Heilige Geest ons ervan bewust dat wij kinderen, en dus erfgenamen, van God zijn. Ook dat geeft ons zekerheid, evenals het streven naar een zuiver geweten en het doen van goede daden.
Wij weten zeker dat we het kwaad de baas zullen blijven en dat het eeuwige leven ons niet meer ontnomen kan worden. Als we dat houvast niet hadden, waren we de beklagenswaardigste van alle mensen.

11

Door twijfel of verzoeking kan de zekerheid soms afwezig zijn

Nu zegt de Bijbel met zoveel woorden dat de gelovigen te kampen hebben met twijfels. Ze ervaren namelijk niet altijd dat hun geloof sterk genoeg is om grote verleidingen te weerstaan. Maar dan geeft God uitkomst. De verleiding om slecht te handelen laat Hij niet zo sterk worden dat ze er geen weerstand meer aan kunnen bieden (vergelijk 1 Kor. 10:13). En van de Heilige Geest krijgen ze weer de zekerheid dat ze blijven geloven.

12

Verzekerd zijn van de volharding geeft een toegewijd leven

Degene die gelooft weet dus zeker dat hij dat ook zal blijven doen. Dat leidt er echter niet toe dat hij hoogmoedig wordt en zorgeloos. Neen, integendeel, het zorgt ervoor dat hij bescheiden wordt, eerbied heeft voor God als een kind voor zijn vader en zich overeenkomstig Gods wetten gedraagt.
Hij zal tegen het kwaad blijven vechten, vurig bidden, openlijk vasthouden aan de waarheid en steeds blij zijn over wat God doet. Wanneer hij overdenkt hoe goed God voor hem is, zet dat hem aan om zijn dankbaarheid te tonen door zo goed mogelijk Gods leefregels in praktijk te brengen. Dit blijkt ook uit de Bijbel en het leven van de gelovigen.

13

Gelovigen die opnieuw met God verzoend zijn, willen niets liever dan het ervaren van Zijn gunst en nabijheid

Als mensen zich van God hebben afgekeerd en God heeft hen weer naar zich toegetrokken, wordt in hen het vertrouwen weer levend dat ze bij hun geloof zullen blijven. Het is niet zo dat ze nu luchthartig met Gods geboden gaan omspringen. Nee, ze volgen des te nauwkeuriger de wegen die God heeft aangewezen, om hierdoor zeker te zijn van een duurzaam geloof. Immers, wanneer zij misbruik zouden maken van zijn goedheid, zou de goede verhouding met God verbroken worden. En dat willen ze voorkomen. Anders zouden ze er nog meer onderdoorgaan. Want een goede verhouding met God vindt de gelovige belangrijker dan het leven, het gemis daarvan vindt hij erger dan de dood.

14

God laat gelovigen volharden door middel van de prediking en de sacramenten

God heeft besloten om zijn vergevingsgezindheid ten opzichte van ons gestalte te geven door ons de blijde boodschap bekend te maken. Hij laat ons die boodschap steeds weer horen, lezen en overdenken. Ook spoort Hij ons aan, waarschuwt ons ernstig en doet beloftes, en geeft ons de sacramenten.

15

Deze leer van de volharding heeft God tot Zijn eer en tot bemoediging geopenbaard in de Bijbel

Het hierboven behandelde heeft God in de Bijbel uitgebreid uiteengezet en Hij prent het de gelovigen in. Dit doet Hij om zichzelf te laten eren en om de gelovigen houvast te geven. Maar deze leer wordt door de ongelovigen niet begrepen, maar bespot, door de Satan gehaat en door mensen die minder goed thuis zijn in de leer of die schijnheilig zijn of die van de juiste leer afwijken, misbruikt en bestreden.
Maar de bruid van Christus, de kerk, heeft die leer altijd zeer lief gehad als een bezit van onschatbare waarde, en haar standvastig verdedigd. God zal ervoor zorgen dat zij dat ook altijd zal blijven doen. En niets kan zijn plannen ook maar iets in de weg leggen. Laten wij deze drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, altijd alle eer geven! Amen.

1

Verwerping van de dwaling: Geloofsvolharding is een voorwaarde om te delen in de verkiezing

"Wanneer iemand tot het einde toe blijft geloven, is dit niet het resultaat van Gods keus. Evenmin is het een geschenk van God dat Christus door zijn werk voor de gelovigen heeft verdiend. Nee, in het nieuwe verbond is trouw in het geloof een voorwaarde voor Gods beslissende keus en betekent herstel van de verhouding met God. De mens beslist zelf of hij aan deze voorwaarde wil voldoen."

De Bijbel zegt echter dat die trouw het gevolg is van Gods keus. Door het werk van Christus wordt het aan de gelovigen gegeven trouw te blijven: "(…) Alleen wie door God waren uitgekozen hebben het gekregen. Alle anderen blijven zich verzetten tegen God" (Rom. 11:7);
"Hij heeft zijn eigen Zoon niet ontzien, maar Hij heeft Hem voor ons opgeofferd. Als Hij zijn Zoon heeft gegeven, zal Hij ons al het andere dan ook niet geven? God heeft ons uitgekozen. Wie zal ons dan beschuldigen? God? Nee, die spreekt ons vrij. Wie zal ons dan veroordelen? Christus? Nee, die is gestorven, meer nog, Hij is weer levend geworden; Hij zit nu aan de rechterhand van God en bepleit onze zaak. Wie zal ons plaatsen buiten het bereik van Christus’ liefde? (…)" (Rom. 8:32-35).

2

Verwerping van de dwaling: God geeft kracht, maar uiteindelijk bepaalt de gelovige of hij volhardt

"God geeft de gelovige voldoende krachten om bij het geloof te blijven en blijft hem daarvan ook voorzien, als hij leeft zoals een gelovige hoort te leven. Maar ook al geeft God alle dingen die nodig zijn om te blijven geloven, dan nog hangt het van de wil van de mens af of hij dit ook daadwerkelijk doet."

Dit bevat duidelijk elementen van de leer van Pelagius. Men wil de mens de vrijheid geven om te kiezen, maar berooft God daarmee van de eer die Hem toekomt. Deze opvatting gaat in tegen de duidelijke boodschap van de Bijbel, die aan de mens niets overlaat om zich op te beroemen: alleen God krijgt de eer voor dit geweldige geschenk. Paulus zegt er het volgende over: "Hij zal ervoor zorgen dat u tot het einde toe standhoudt en dat er niets op u valt aan te merken op de dag van onze Heer Jezus Christus" (1 Kor. 1:8).

3

Verwerping van de dwaling: Wedergeboren mensen kunnen afvallen van de zaligheid en verloren gaan

"Mensen die een nieuw leven ontvangen hebben, kinderen van God, kunnen hun geloof — en uiteindelijk het eeuwige leven — geheel en al kwijt raken. Vaak gebeurt dit ook: ze gaan naar de hel."

Deze opvatting laat niets over van het geschenk dat we van God gekregen hebben: een nieuw leven, waarin de verhouding met Hem hersteld is. Ook blijft er niets over van het feit dat Christus voor ons zorgt. Het gaat in tegen de woorden van Paulus, Johannes en Jezus Christus: "Maar God bewijst ons juist zijn liefde doordat Christus voor ons gestorven is op een moment waarop wij nog niets goeds deden en diep bij God in de schuld stonden. Nu onze schuld is kwijtgescholden als gevolg van Christus’ dood, zullen wij des te zekerder door Hem veiliggesteld worden voor Gods straf" (Rom. 5:8,9);
"Wie van God een nieuw leven heeft gekregen, heeft geen verkeerde levensstijl, want de Zoon van God woont in hem en die kan geen verkeerde dingen doen. Hij is immers uit God voortgekomen" (1 Joh. 3:9);
"Ik geef hun het eeuwige leven; ze zullen nooit en te nimmer naar de hel gaan. Niemand kan ze onder mijn hoede wegroven. Tegen de macht, die God Mij gegeven heeft, kan niemand op en niemand kan ze onder zijn hoede wegroven" (Joh. 10:28,29).

4

Verwerping van de dwaling: Ware gelovigen kunnen de zonde tegen de Heilige Geest begaan

"Kinderen van God kunnen misstappen doen (begaan tegen de Heilige Geest) die onvergeeflijk zijn."

In zijn eerste brief spreekt Johannes over mensen die zulke misstappen begaan en verbiedt hij voor hen te bidden (5:16, 17). Maar in vers 18 voegt hij daaraan toe: "Wij weten dat een kind van God geen verkeerde dingen doet (die onvergeeflijk zijn (vert.)), maar de Zoon van God beschermt hem en de duivel heeft geen vat op hem."

5

Verwerping van de dwaling: Alleen door een bijzondere openbaring kun weten dat je volhardt in het geloof

"Je kunt er niet zeker van zijn of je zult blijven geloven dan door een of andere ingeving."

Door deze leer wordt het enige houvast van de gelovigen weggenomen en de twijfels die de roomskatholieke leer met zich meebrengt, komen er weer voor in de plaats. Maar de Bijbel zegt dat deze zekerheid niet voortkomt uit een of andere ingeving, maar uit het geloof en alles wat daaruit voortvloeit en uit Gods beloftes, die Hij zeker houdt. Paulus schrijft: "Niets en niemand zal ons scheiden van de liefde van God, die gestalte heeft gekregen in Jezus Christus, onze Heer" (Rom. 8:39);
en Johannes: "Wie Gods geboden in acht neemt, leeft in Hem, en God in hem. En dat Hij in ons blijft, weten we door het werk van de Geest, die Hij ons gegeven heeft" (1 Joh. 3:24).

6

Verwerping van de dwaling: Geloofszekerheid maakt je gemakzuchtig en minder toegewijd

"De leer dat de gelovigen er zeker van zijn dat ze kinderen van God blijven, is in wezen een misleidende geruststelling. Ze brengt mensen ertoe niet meer te leven volgens Gods geboden en maakt dat ze de godsdienstige gebruiken, het bidden en de andere aspecten van het geloofsleven verwaarlozen. In plaats van je door deze leer gerust te laten stellen, is het beter om de waarheid ervan maar in twijfel te trekken."

Zij die dit geloven, laten zien dat ze de kracht van Gods vergevingsgezindheid en het werk van de Heilige Geest in ons niet kennen. Ze spreken daarmee de Bijbel tegen, waarin staat: "Geliefden, nu zijn we al kinderen van God, en Christus is nog niet eens teruggekomen. Wat we straks zullen zijn weten we ook: als Jezus weer terug is gekomen, zullen we net zo zijn als Hij. We zullen Hem dan immers zien zoals Hij is. Iedereen die hiernaar uitziet in vertrouwen op Hem, moet zich verre houden van het verkeerde, net als Christus dat gedaan heeft" (1 Joh. 3:2,3).
Bovendien spreekt er wel een andere taal uit de voorbeelden die de Bijbel geeft van het leven van gelovigen in het Oude en Nieuwe Testament. Deze kinderen van God waren er zeker van dat ze zouden blijven geloven en eeuwig leven. Toch bleven ze trouw bidden en volgens Gods geboden leven.

7

Verwerping van de dwaling: Het tijdgeloof en het ware geloof verschillen alleen in de lengte

"Het geloof van mensen die maar tijdelijk geloven, verschilt slechts in duur van het geloof dat tot het eeuwige leven leidt."

Christus laat echter zien dat het verschil veel ingrijpender is. Hij vergelijkt mensen die voor een tijdje geloven met een rotsachtige bodem waarop zaad terechtkomt. Ook zijn ze als zaad dat geen wortel schiet en zonder vrucht blijft. Maar de mensen die oprecht geloven, vergelijkt Hij met vruchtbare aarde. Ook zijn ze als zaad dat diep wortel schiet en vrucht draagt, zij het in verschillende mate (zie Mat. 13:20 vv. en Luc. 8:13 vv.).

8

Verwerping van de dwaling: Je kunt als gelovige meerdere malen wederom geboren worden

"Het is mogelijk dat mensen die hun geloof vaarwel gezegd hebben, weer gaan geloven. Dit kan zelfs vaker gebeuren."

Op deze manier wordt de onvergankelijkheid ontkend van het zaad dat door God gezaaid wordt en waardoor wij nieuw leven ontvangen. Het gaat in tegen wat Petrus zegt: "(…) Opnieuw geboren, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad (…)" (1 Petr. 1:23).

9

Verwerping van de dwaling: Christus heeft nergens gebeden dat gelovigen zouden volharden

"Christus heeft nergens gebeden dat de gelovige zonder mankeren bij het geloof zou mogen blijven."

Dit is in tegenspraak met de volgende woorden van Christus: "(…) Maar Ik heb gebeden dat je je geloof niet kwijtraakt" (Luc. 22:32).
En Johannes zegt dat Christus niet alleen voor de apostelen, maar ook voor allen die door hun boodschap tot het geloof zouden komen, gebeden heeft: "(…) Heilige Vader, bescherm hen met al uw macht. (…) Ik vraag niet dat U ze uit de wereld weghaalt, maar dat U hen beschermt tegen de duivel" (Joh. 17:11,15; vergelijk ook vers 20).

Met toestemming overgenomen uit: De Dordtse Leerregels, vertaald in gewoon Nederlands; vertaald door Freerk Jan Berghuis, Jaap Jonker, George Nieboer, Rein Tromp, Pieter G.B. de Vries, Zwanetta de Vries-Por, Otto B. Wiersma en Simone Wiersma-Wieringa, 1983, Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak
hedendaags
HSV
16
leermodusleren