1

Door de zondeval heeft de mens zichzelf van het beeld van God beroofd

De mens is oorspronkelijk naar het beeld van God geschapen. a
In zijn verstand droeg hij het sieraad van ware en zaligmakende kennis van zijn Schepper
en van de geestelijke dingen.
In zijn wil en hart was hij toegerust met gerechtigheid.
In al zijn neigingen was hij zuiver en daardoor volkomen heilig.

Maar door de ingeving van de duivel
en door zijn eigen vrije wil heeft hij zich van God afgekeerd
en zich van deze uitnemende gaven beroofd.
b
In plaats daarvan heeft hij over zich gebracht:
blindheid, verschrikkelijke duisternis, leegheid
en verkeerdheid van oordeel in zijn verstand;
slechtheid, weerspannigheid en hardheid in zijn wil en hart.
En ook onzuiverheid in al zijn neigingen.
c

2

De erfzonde

Zoals de mens na de zondeval geworden is,
zulke kinderen heeft hij ook voortgebracht:
even verdorven als hij.
a
Hierdoor is naar het rechtvaardig oordeel van God
de verdorvenheid van Adam over al zijn nakomelingen gekomen,
b
uitgezonderd alleen Christus.
Dit is niet gebeurd door navolging, zoals de pelagianen vroeger hebben beweerd,
maar door voortplanting van de verdorven natuur.

3

Alle mensen zijn dood in de zonden

Daarom worden alle mensen in zonden ontvangen
en geboren en zijn ze ‘kinderen des toorns’.
a
Zij zijn onbekwaam tot iets wat zaligmakend goed is, geneigd tot het kwaad,
dood in de zonden en slaven van de zonde.
b
Zonder de genade van de Heilige Geest,
c
Die hen doet wedergeboren worden,
willen en kunnen zij niet tot God terugkeren.
Ook kunnen zij hun verdorven natuur niet verbeteren
of zich daarop toeleggen.

4

Het overgebleven licht der natuur is onvoldoende om God te leren kennen

Wel is er na de zondeval nog iets van het licht van de natuur in de mens overgebleven.
Hierdoor heeft hij nog wel enige kennis van God,
van de natuurlijke dingen
en van het onderscheid tussen wat betamelijk en niet betamelijk is.
Ook geeft hij enigszins blijk van een deugdzaam leven en van uiterlijke tucht.
a

Maar zover is het er vandaan dat de mens door dit licht van de natuur
tot de zaligmakende kennis van God kan komen
en zich tot Hem bekeren,
dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet op de juiste wijze gebruikt.
Ja, veeleer is het zo dat hij dit licht
– wat men daar ook precies onder verstaat –
helemaal en op allerlei manieren verontreinigt en in ongerechtigheid ten onder houdt.
b
Omdat hij dit doet, wordt de mens alle verontschuldiging tegenover God ontnomen.

5

De wet van God wijst de zonden aan, maar geeft geen oplossing

Wat geldt voor het licht van de natuur,
geldt in dit opzicht ook voor de Wet van de Tien Geboden,
die God door Mozes in het bijzonder aan Israël heeft gegeven.
Want de Wet ontdekt de mens wel aan de grootheid van zijn zonde,
en overtuigt hem meer en meer van zijn schuld,
a
maar biedt hem hiervoor geen geneesmiddel.
Zij biedt geen krachten om uit deze ellende te kunnen komen.
Omdat zij door het vlees krachteloos is geworden,
laat zij de overtreder onder de vloek blijven.
Daarom kan de mens ook door de Wet de zaligmakende genade niet verkrijgen.
b

6

God maakt mensen zalig door de Heilige Geest en het evangelie

Wat het licht van de natuur en de Wet niet kunnen doen,
dat doet God door de kracht van de Heilige Geest
en door het Woord of de bediening van de verzoening.
Dat is het Evangelie van de Messias,
a
waardoor het God behaagd heeft hen die geloven
– zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament – zalig te maken.
b

7

Door Gods welbehagen wordt het evangelie nu aan meer mensen geopenbaard

Dit heilsgeheim van Zijn wil heeft God
in het Oude Testament aan minder mensen
en in het Nieuwe Testament aan meer mensen geopenbaard.
a
Hij heeft daarmee het onderscheid tussen Israël en de andere volken weggenomen.
De oorzaak van dit verschil tussen de oude en de nieuwe bedeling
is niet dat het ene volk voor God waardiger is dan het andere volk
of dat het het licht van de natuur beter gebruikt.
Nee, dit verschil is alleen terug te voeren
op het soevereine welbehagen en de onverdiende liefde van God.
b

Daarom moeten degenen aan wie zo’n grote genade te beurt valt
– zonder enige verdienste, ja, zelfs in strijd met wat zij verdiend hebben –
haar met een nederig en dankbaar hart erkennen.
Als andere mensen deze genade niet te beurt valt,
moeten zij daarin – met de apostel – de strengheid en rechtvaardigheid van Gods oordelen aanbidden
en die in geen geval nieuwsgierig onderzoeken.
c

8

Welmenend roept God iedereen die het evangelie hoort

Maar zovelen als er door het Evangelie geroepen worden,
die worden in alle ernst geroepen.
Want God laat in Zijn Woord met ernst en waarachtig zien
wat Hij graag wil,
namelijk dat zij die geroepen worden, tot Hem komen.
Hij belooft ook met ernst aan allen die tot Hem komen en geloven,
de rust van hun zielen en het eeuwige leven.
a

9

Het is hun eigen schuld als geroepenen niet de roepstem van het evangelie gehoorzamen

Dat velen die door de bediening van het Evangelie geroepen zijn,
niet komen en niet bekeerd worden,
a
is niet te wijten aan het Evangelie
of aan Christus, Die hun door het Evangelie aangeboden is.
Het ligt ook niet aan God, Die mensen door het Evangelie roept
en aan hen die Hij roept zelfs verschillende gaven geeft.
b
Nee, het is de schuld van degenen die geroepen worden zelf.

Sommigen van hen nemen het Woord van het leven niet aan,
omdat zij zorgeloos leven.
Anderen nemen het wel aan, maar niet in het diepst van hun hart.
Daarom keren zij zich
– na een kortstondige blijdschap van een tijdelijk geloof –
weer af, bij God vandaan.
Anderen verstikken het zaad van het Woord
door de dorens van de zorgen en de lusten van de wereld
en brengen geen vruchten (van geloof en bekering) voort.
Dit leert onze Zaligmaker in de gelijkenis van het zaad.
c

10

Geroepenen die tot bekering komen, moeten daarvan God de eer geven

Dat andere mensen die door de bediening van het Evangelie geroepen zijn,
wel komen en bekeerd worden,
moet men niet aan henzelf toeschrijven.
a
Alsof zij zich door hun vrije wil zouden onderscheiden van anderen,
aan wie een even grote genade geschonken is,
voldoende om te geloven en bekeerd te worden.
Dit is de hoogmoedige ketterij van Pelagius.

Men moet dit alleen aan God toeschrijven.
Zoals Hij de Zijnen van eeuwigheid in Christus heeft uitverkoren,
zo roept Hij hen ook in de tijd krachtdadig
en schenkt hun geloof en bekering.
En als Hij hen verlost heeft uit de macht van de duisternis,
brengt Hij hen over in het rijk van Zijn Zoon,
opdat zij zouden verkondigen de deugden van Hem,
Die hen riep uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht,
b
en opdat ze niet in zichzelf, maar in de Heere zouden roemen.
Hiervan leggen de geschriften van de apostelen doorlopend getuigenis af.
c

11

De wedergeboorte

Verder, wanneer God Zijn welbehagen in de uitverkorenen volvoert
en de ware bekering in hen tot stand brengt,
dan laat Hij hun niet alleen het Evangelie op een uiterlijke manier prediken
en verlicht Hij met kracht hun verstand door de Heilige Geest,
opdat zij de dingen die van de Geest van God zijn,
a
recht verstaan en onderscheiden,
maar dan dringt Hij ook door tot in het binnenste van hun hart
met de krachtige werking van de Geest,
b
Die hen wedergeboren doet worden.

Hij opent hun gesloten hart, c maakt hun harde hart zacht
en besnijdt hun onbesneden hart.
d
Hij giet in hun wil nieuwe hoedanigheden
en maakt dat deze van dood levend wordt,
van verkeerd: goed, van onwillig: gewillig
en van ongehoorzaam: gehoorzaam.
Hij beweegt en sterkt die wil zo
dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen.
e

12

De Heilige Geest werkt de wedergeboorte in een mens

Dit is die wedergeboorte, die vernieuwing,
nieuwe schepping, opwekking uit de doden en levendmaking,
waarover zo heerlijk in de Schrift gesproken wordt.
a
God werkt die zonder ons in ons.
Zij wordt niet alleen tot stand gebracht door middel van de uiterlijke prediking
of door een zacht aandringen.
Ook is het niet zo dat als God Zijn werk in de mens verricht heeft,
deze dan zelf nog het vermogen heeft
om wedergeboren of niet wedergeboren te worden,
bekeerd of niet bekeerd te worden.

Maar deze wedergeboorte is een geheel bovennatuurlijke en zeer krachtige
en tegelijk zeer liefdevolle, wonderlijke, verborgen en onuitsprekelijke werking,
die in kracht niet minder of geringer is
dan de schepping of opwekking uit de doden.
b
Hiervan getuigt de Schrift,
die geïnspireerd is door dezelfde God Die deze wedergeboorte bewerkt.

Zo worden allen bij wie God op deze wonderbare wijze in hun hart werkt,
volstrekt zeker en met kracht wedergeboren
en geloven zij daadwerkelijk.
Dan wordt hun wil die vernieuwd is,
niet alleen door God aangezet en bewogen,
maar als hij door God bewogen is,
werkt hij ook zelf mee.
c
Daarom wordt ook terecht gezegd
dat de mens door de genade, die hij ontvangen heeft,
gelooft en zich bekeert.

13

Gelovigen begrijpen niet helemaal de werking van de wedergeboorte, ze ervaren wel geloofszekerheid

De wijze waarop God deze wedergeboorte bewerkt,
kunnen de gelovigen in dit leven niet volkomen begrijpen.
a
Ondertussen vinden ze daarin rust,
dat zij weten en voelen
dat zij door deze genade van God van harte geloven
en hun Zaligmaker liefhebben.
b

14

Het geloof en de wil om te geloven is een gave van God

Het geloof is dus een gave van God. a
Niet omdat het door God aan de vrije wil van de mens wordt aangeboden,
maar omdat het daadwerkelijk (aan) de mens wordt geschonken,
ingegeven en ingegoten.
Het is ook niet zo dat God alleen het vermogen om te geloven aan de mens geeft
en vervolgens de instemming of het daadwerkelijk geloven van de vrije wil van de mens verwacht.
Nee, God, Die zowel het willen als het volbrengen,
b
ja alles in allen werkt,
brengt zowel de wil om te geloven als het geloof zelf in de mens tot stand.

15

God is ons niets schuldig, alles is genade

Deze genade is God aan niemand verschuldigd.
Want wat zou Hij schuldig zijn aan iemand die Hem niets geven kon,
zodat het hem dan vergolden wordt?
a
Ja, wat zou God aan iemand schuldig zijn
die van zichzelf niets anders heeft dan zonden en leugen?
Daarom, wie deze genade ontvangt,
is daarvoor alleen aan God eeuwige dank verschuldigd.
Hij brengt Hem die dank dan ook toe.
Maar wie deze genade niet ontvangt,
acht deze geestelijke dingen van geen enkele waarde.
Hij doet alleen wat hij zelf wil.
Of hij beroemt zich zorgeloos,
zonder enige grond, op iets wat hij niet heeft.
b

Verder is het zo dat men, naar het voorbeeld van de apostelen,
over mensen die hun geloof openlijk belijden en hun leven beteren,
het beste moet oordelen en spreken.
c
Want het binnenste van het hart is onbekend.
Wat anderen betreft, die nog niet geroepen zijn,
voor hen moet men tot God bidden.
Hij roept de dingen die niet zijn alsof zij waren.
Wij moeten ons in geen geval hoogmoedig tegenover hen gedragen,
alsof wij het onderscheid met andere mensen aan onszelf te danken zouden hebben.
d

16

God vernietigt de menselijke eigenschappen niet, maar buigt die liefdevol om

De mens heeft door de zondeval niet opgehouden mens te zijn.
Hij bezit nog de gaven van verstand en wil.
Ook heeft de zonde, die door het hele menselijk geslacht is doorgedrongen,
de natuur van de mens niet weggenomen,
maar wel verdorven en in geestelijke zin gedood.
a
Zo is het ook met de goddelijke genade van de wedergeboorte.
Die werkt in de mensen niet als in stokken en blokken
en vernietigt de wil en zijn eigenschappen niet.
Zij dwingt hem niet met geweld tegen wil en dank,
maar maakt hem geestelijk levend, heelt en herstelt hem
en buigt hem om op liefdevolle en tegelijk krachtige wijze.
b

Het gevolg hiervan is dat in plaats van een hardnekkige tegenstand van het vlees,
die eerst ten enenmale de overhand had,
nu een gewillige en oprechte gehoorzaamheid door de Geest de overhand begint te krijgen.
Daarin is het ware en geestelijke herstel en de bevrijding van onze wil gelegen.

En als die wonderbare Werkmeester van alle goed niet op deze wijze met ons handelde,
dan zou de mens geen enkele hoop hebben om door zijn vrije wil uit zijn val te kunnen opstaan,
waardoor hij zichzelf, toen hij nog (recht voor God) stond,
in het verderf gestort heeft.

17

Als middel om zalig te worden gebruikt God het evangelie

De almachtige werking van God,
waardoor Hij ons natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt,
sluit het gebruik van de middelen niet uit, maar maakt die juist nodig.
a
Op dezelfde manier heeft God in Zijn oneindige wijsheid en goedheid
Zijn kracht willen uitoefenen.
Op deze wijze sluit de eerdergenoemde bovennatuurlijke werking van God,
waardoor Hij ons wedergeboren doet worden,
het gebruik van het Evangelie als middel volstrekt niet uit en stoot die niet omver.
Onze wijze God heeft het Evangelie juist tot een zaad van de wedergeboorte
en tot voedsel voor de ziel bestemd.
b

De apostelen en de leraren die hen opgevolgd zijn,
hebben het volk op godzalige wijze in deze genade van God onderwezen,
tot Zijn eer en tot omverwerping van alle hoogmoed van de mens.
Maar ondertussen hebben ze toch niet nagelaten
hen door de heilige prediking van het Evangelie onder de bediening van het Woord,
de sacramenten en de uitoefening van de tucht te houden.
c

Zo moeten vandaag ook zij die anderen in de gemeente leren of zij die geleerd worden,
het niet wagen om God te verzoeken door de dingen te scheiden
waarvan God in Zijn welbehagen gewild heeft dat ze met elkaar verbonden zouden blijven.
d
Anders verzoekt men God.
Want door de prediking (van het Evangelie) wordt de genade geschonken
en hoe naarstiger wij onze roeping hierin vervullen,
des te heerlijker vertoont zich deze weldaad van God, Die in ons werkt.

Zo gaat Gods werk het beste door. e
Deze God komt alleen alle roem en eer toe,
zowel om de middelen die Hij geeft,
als om de zaligmakende vrucht en kracht daarvan,
in eeuwigheid. Amen.

1

Verwerping van de dwaling: De erfzonde alleen is niet genoeg om de mensheid te verdoemen

Die leren: dat men in strikte zin niet kan zeggen
dat de erfzonde op zich voldoende reden zou zijn
om het hele menselijk geslacht te veroordelen
of om tijdelijke en eeuwige straffen te verdienen.

Zij spreken de apostel tegen die zegt:
Door één mens is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde de dood,
en zo is de dood over alle mensen gekomen,
in wie allen gezondigd hebben (Rom. 5:12);
en: De veroordeling leidde ten gevolge van één overtreding tot verdoemenis (Rom. 5:16);
en: Het loon van de zonde is de dood (Rom. 6:23).

2

Verwerping van de dwaling: Geestelijke gaven waren niet aanwezig in de menselijke wil

Die leren: dat de geestelijke gaven of goede eigenschappen en deugden,
zoals goedheid, heiligheid, rechtvaardigheid,
niet in de wil van de mens aanwezig konden zijn, toen hij geschapen werd.
Daarom kan men volgens hen ook niet zeggen
dat zij door de zondeval gescheiden werden van de wil van de mens.

Deze leer is in strijd met de beschrijving van het beeld van God,
zoals de apostel die geeft in Efeze 4:24.
Daar zegt hij dat het beeld van God bestaat in rechtvaardigheid en heiligheid.
a
Beide gaven behoren zonder enige twijfel tot de wil van de mens.

3

Verwerping van de dwaling: De vrije wil is door de zondeval niet aangetast

Die leren: dat het geestelijk dood-zijn van de mens
niet betekent dat de geestelijke gaven niet meer behoren bij zijn wil.
Want, zeggen zij, zijn wil is in zichzelf nooit verdorven geweest,
maar alleen belemmerd door de duisternis van zijn verstand
en ongeregeldheid van zijn neigingen.
Als deze belemmeringen worden weggenomen,
kan de wil zijn vrije, aangeboren kracht aanwenden.
Dat betekent dat de mens alles wat zich maar als goed aan hem voordoet,
uit zichzelf zou kunnen willen en verkiezen of niet willen en niet verkiezen.

Dit is een nieuwe leer en dwaling, die erop uit is
de krachten van de vrije wil op een voetstuk te plaatsen.
Ze is in strijd met wat de profeet zegt:
Arglistig is het hart, boven alles (Jer. 17:9);
en van de apostel: Onder wie (nl. de kinderen van de ongehoorzaamheid)
ook wij allen voorheen verkeerden,
in de begeerten van ons vlees,
door de wil van het vlees en de gedachten te doen (Ef. 2:3).

4

Verwerping van de dwaling: Onbekeerden zijn niet helemaal geestelijk dood en kunnen verlangen naar de gerechtigheid

Die leren: dat de mens die niet wedergeboren is,
noch in eigenlijke, noch in absolute zin dood is door de zonden (Ef. 2:1, 5)
of dat hij alle krachten tot het geestelijk goede mist.
Hij kan nog hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en het leven
en ook het offer brengen van een verslagen en gebroken geest,
dat God aangenaam is.

Deze dingen zijn in strijd met de duidelijke getuigenissen van de Schrift, zoals:
U was dood door de overtredingen en de zonden (Ef. 2:1, 5);
en: Al de gedachtespinsels van zijn hart waren elke dag alleen maar slecht (Gen. 6:5; 8:21).
Bovendien is het zo dat het hongeren en dorsten naar de verlossing uit de ellende en naar het leven,
en ook het brengen van het offer van een gebroken geest aan God,
in strikte zin alleen gezegd kan worden van de wedergeborenen
en degenen die zalig gesproken worden.
a

5

Verwerping van de dwaling: De overgebleven gaven kan een mens gebruiken om bij het heil te komen

Die leren: dat de verdorven, natuurlijke mens de algemene genade
(waaronder zij het licht van de natuur verstaan) of de gaven
die na de zondeval in hem zijn overgebleven,
nog altijd kan gebruiken.
Zelfs zó, dat hij door een goed gebruik ervan een grotere genade,
namelijk de evangelische of zaligmakende genade en ook de zaligheid zelf,
geleidelijk, stap voor stap, kan verkrijgen.
God zou dan op deze wijze tonen dat Hij van Zijn kant bereid is
om Christus aan alle mensen te openbaren,
wat Hij zou doen door aan alle mensen in voldoende mate
en op krachtige wijze de middelen te geven die nodig zijn
om Christus te kennen en om te geloven en zich te bekeren.

Dat dit niet waar is, leert behalve de ervaring van alle tijden, de Schrift zelf:
Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn verordeningen en Zijn bepalingen.
Zo heeft Hij voor geen enkel ander volk gedaan; die kennen Zijn bepalingen niet (Ps. 147:19-20);
en: Hij heeft in de tijden die achter ons liggen
al de heidenen hun eigen wegen laten gaan (Hand. 14:16);
en: Zij [namelijk Paulus en de zijnen] werden door de Heilige Geest verhinderd
het Woord in Asia te spreken.

En bij Mysië gekomen, probeerden zij naar Bithynië te reizen,
maar de Geest liet het hun niet toe (Hand. 16:6-7).

6

Verwerping van de dwaling: God geeft de macht om tot het geloof te komen, geloven doet een mens zelf

Die leren: dat bij de ware bekering van de mens
geen nieuwe hoedanigheden, krachten of gaven
door God in de wil van de mens kunnen worden gegoten.
Daarom is het geloof, waardoor wij tot bekering komen
en waarom wij gelovigen genoemd worden,
(volgens hen) ook niet een kwaliteit of gave die God ingiet.
Het geloof is zo bezien alleen een daad van de mens.
Het kan slechts een gave van God genoemd worden
als het gaat om het vermogen om tot geloof te komen.

Hiermee spreken zij de Heilige Schrift tegen,
die getuigt dat God nieuwe hoedanigheden van geloof,
gehoorzaamheid en het ervaren van Zijn liefde in onze harten uitgiet:
Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven (Jer. 31:33);
en: Ik zal water gieten op het dorstige en stromen op het droge.
Ik zal Mijn Geest op uw nageslacht gieten (Jes. 44:3);
en: De liefde van God is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest,
Die ons gegeven is (Rom. 5:5).
Deze leer is ook in strijd met de praktijk zoals die altijd door Gods kerk beoefend is,
als zij met de profeet bidt: Bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn (Jer. 31:18).

7

Verwerping van de dwaling: Genade is niets anders dan zacht aandringen van God om je te bekeren

Die leren: dat de genade waardoor wij tot God bekeerd worden,
niets anders is dan een zacht aandringen.
Of dat dit aandringen (zoals anderen het uitleggen)
de beste en mooiste manier is waarop de bekering van de mens gewerkt wordt
en die het meest overeenkomt met de natuur van de mens.
Volgens hen is er geen reden waarom deze genade van een zacht aandringen
niet voldoende zou zijn om de natuurlijke mens geestelijk te maken.
Ja, God bewerkt op geen andere manier dan door aandringen
dat de wil instemt met Gods werk.
De kracht van Gods werk, waardoor dit het werk van de satan te boven gaat,
bestaat dan hierin dat God aan de mens eeuwige gaven belooft en de satan alleen tijdelijke.

Deze leer is geheel pelagiaans en in strijd met wat de hele Heilige Schrift over de bekering leert.
Deze kent een andere, veel krachtiger en goddelijker manier van werken
door de Heilige Geest bij de bekering. Zoals bij Ezechiël:
Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven.
Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven (Ez. 36:26).

8

Verwerping van de dwaling: De wedergeboorte door God kun je als mens weerstaan

Die leren: dat God bij de wedergeboorte niet zulke krachten van Zijn almacht gebruikt
dat Hij daardoor de wil van de mens krachtig en onfeilbaar ombuigt tot geloof en bekering.
Zij leren in plaats daarvan:
Als God heel Zijn werk van genade om de mens te bekeren volbracht heeft,
dan kan de mens alsnog het voornemen van God
en van de Heilige Geest om hem wedergeboren te doen worden, weerstaan.
Dat doet hij in de praktijk dan ook vaak,
zodat hij dan zijn wedergeboorte helemaal tegenhoudt.
Het hangt dan uiteindelijk van de mens zelf af of hij wedergeboren wordt of niet.

Dit betekent niets anders dan dat alle kracht van Gods genade uit onze bekering wordt weggenomen.
Het werk van de almachtige God wordt onderworpen aan de wil van de mens.
Dit is in strijd met wat de apostelen leren:
Aan ons die geloven, overeenkomstig de werking van de sterkte van Zijn macht (Ef. 1:19);
en: Dat onze God u de roeping waard acht en Hij al het welbehagen van Zijn goedheid
en het werk van het geloof met kracht volbrengt
(2 Thess. 1:11);
en: Zijn Goddelijke kracht heeft ons alles geschonken
wat tot het leven en de godsvrucht behoort (2 Petr. 1:3).

9

Verwerping van de dwaling: De wil van de mens en Gods genade werken samen de bekering

Die leren: dat zowel de genade van God, als de vrije wil van de mens
de bekering bewerkstelligt en zij dus samenwerken bij het begin van de bekering.
Gods genade gaat in volgorde niet aan de werking van de wil van de mens vooraf.
God helpt de wil van de mens niet eerder op krachtige wijze,
dan wanneer die wil zelf in beweging komt en zich toelegt op de bekering.

De vroege kerk heeft deze leer van de pelagianen eertijds al veroordeeld,
met de woorden van de apostel:
Zo hangt het dan niet af van hem die wil,
ook niet van hem die hardloopt, maar van God Die Zich ontfermt (Rom. 9:16);
en: Want wie maakt onderscheid tussen u?
En wat hebt u dat u niet hebt ontvangen (1 Kor. 4:7);
en: Want het is God, Die in u werkt
zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen (Filp. 2:13).

Met toestemming overgenomen uit: De Dordtse Leerregels, een hertaling; dr. W. Verboom, 2018, KokBoekencentrum Uitgevers.

Liturgie.nu: berijmde psalmen en liturgische formulieren uitgelegd

De nieuwe website Liturgie.nu maakt de psalmberijming van 1773 en de liturgische formulieren (zoals het doop- en avondmaalsformulier) online toegankelijk. Moeilijke woorden in de psalmen worden uitgelegd en de formulieren kunnen als paralleleditie naast elkaar gelezen worden. Net als deze website is er ook een leermodus aanwezig en een digibord viewer. Deze website is de komende maanden nog in ontwikkeling, maar al wel te gebruiken.

hedendaags
HSV
16
leermodusleren