1

Door de zondeval heeft de mens zichzelf van het beeld van God beroofd

De mens is geschapen naar het beeld van God. Hij had oorspronkelijk een goede verhouding met zijn Schepper, hij wilde wat rechtvaardig is, zijn gevoelsleven was zonder smet. Kortom, hij was God geheel en al toegewijd. Maar de duivel heeft hem ertoe gebracht God ontrouw te worden. Toch was dit uiteindelijk een beslissing van de mens zelf. Daardoor heeft hij zichzelf beroofd van al deze voortreffelijke gaven. In plaats daarvan heeft hij verschrikkelijke dingen over zich gehaald: zijn verstand is verblind, hij oordeelt lichtzinnig en verkeerd. Hij wil wat slecht is en gaat hardnekkig in tegen God en zijn gevoelsleven is vol onzuiverheid.

2

De erfzonde

Sinds Adam God ongehoorzaam werd, is volgens Gods rechtvaardige vonnis zijn hele nageslacht net als hijzelf geheel en al slecht (de enige uitzondering hierop is Christus). Dit is niet het gevolg van het volgen van een verkeerd voorbeeld — zoals de Pelagianen beweren — maar van overerving.

3

Alle mensen zijn dood in de zonden

Dus is de mens vanaf zijn allereerste begin onderworpen aan Gods toorn. Hij kan niets goeds doen waardoor hij gered zou kunnen worden, maar is er juist op uit het slechte te doen. Hij is weerloos overgeleverd aan zijn slechte aard. Hij wil noch kan bij God terugkomen en ook wil noch kan hij verbetering brengen in zijn totaal slechte aard — zelfs het streven naar verbetering is onmogelijk. Alleen de Heilige Geest kan een nieuw mens van hem maken.

4

Het overgebleven licht der natuur is onvoldoende om God te leren kennen

Toch heeft de mens, nadat hij aan God ongehoorzaam geworden was, enig natuurlijk inzicht overgehouden. Hierdoor weet hij nog wel iets van God, van de wereld om zich heen en van wat hoort en niet hoort. Ook legt hij zich er nog enigszins op toe fatsoenlijk en volgens vaste normen te leven. Maar het is onmogelijk dat de mens door het natuurlijk inzicht voldoende over God komt te weten om gered te kunnen worden en zich bekeert. Nee, zelfs in het dagelijks leven laat hij zich door dit inzicht niet leiden. Hij laat zijn slechtheid de overhand krijgen (vergelijk Rom. 1:18). Dit maakt hem tegenover God volledig schuldig.

5

De wet van God wijst de zonden aan, maar geeft geen oplossing

Het is met Gods wet, de Tien Geboden, net als met het natuurlijk inzicht: ze laten beide zien hoe slecht de mens is en overtuigen de mens meer en meer van zijn schuld. Maar ze wijzen geen uitweg en ook geven ze hem niet de kracht om aan zijn ellendige toestand te ontsnappen: hij komt niet onder de veroordeling op grond van Gods wet uit. Dus zó kan de mens het geschenk van de redding niet krijgen.

6

God maakt mensen zalig door de Heilige Geest en het evangelie

Wat het natuurlijk inzicht en Gods wet niet kunnen doen, dat doet God door het werk van de Heilige Geest en door de boodschap van de redding bekend te maken. Door deze blijde boodschap aangaande Christus, de Redder, wil Hij alle gelovigen redden.

7

Door Gods welbehagen wordt het evangelie nu aan meer mensen geopenbaard

Hoe Hij de mensen wilde redden heeft God tijdens het oude verbond slechts aan weinig mensen duidelijk gemaakt. Tijdens het nieuwe verbond echter — toen er geen onderscheid meer gemaakt werd tussen de volken — maakte Hij dit aan meer mensen bekend. Als er verschil gemaakt wordt, dan is dit niet het gevolg daarvan dat het ene volk het meer waard zou zijn dan het andere of beter gebruik zou maken van het natuurlijk inzicht. Maar het komt voort uit wat God beslist in zijn liefde. Daarom moeten zij, die zo’n groot geschenk gekregen hebben, nederig en dankbaar inzien dat ze dat helemaal niet verdiend hebben; ze hebben zelfs het tegendeel verdiend. Maar wanneer andere mensen dit geschenk niet krijgen, moeten de gelovigen de strengheid en rechtvaardigheid van Gods oordeel prijzen en die niet proberen uit te pluizen.

8

Welmenend roept God iedereen die het evangelie hoort

Als God iemand roept door hem zijn boodschap bekend te maken, dan meent Hij dat ook. Want God laat in de Bijbel precies zien wat Hij graag wil, namelijk dat de mensen die Hij roept in Hem gaan geloven. Hij belooft in volle ernst allen die dat doen het eeuwige leven te geven. Wat een rustgevende gedachte!

9

Het is hun eigen schuld als geroepenen niet de roepstem van het evangelie gehoorzamen

Er zijn veel mensen die aan het appèl dat de blijde boodschap op hen doet, geen gehoor geven en hun leven niet veranderen. Dat ligt niet aan die boodschap of aan Christus. Ook ligt het niet aan God: Hij geeft juist de mogelijkheden en de bereidheid om aan dat appèl gehoor te geven. Nee, het ligt aan de mensen. Dit is door Jezus uitgebeeld in de parabel van het zaad (Mat. 13):
Sommigen gaan zorgeloos voorbij aan de boodschap van de Bijbel, die leven geeft. Anderen nemen haar wel aan, maar hun geloof heeft geen diepgang: als de blijdschap van hun geloof verdwijnt, vallen ze weer terug in hun oude leventje. Weer anderen maken zich veel zorgen of leven er juist op los: het zaad (de boodschap van de Bijbel) wordt verstikt door onkruid en draagt geen vrucht.

10

Geroepenen die tot bekering komen, moeten daarvan God de eer geven

Maar er zijn ook mensen die wel geloof hechten aan de blijde boodschap en zich bekeren. Dat is niet, zoals Pelagius dacht, een zaak van hun eigen onafhankelijke beslissing. Volgens hem zouden ze zichzelf onderscheiden van anderen, die even goed de gaven om te geloven en om hun leven te veranderen zouden gekregen hebben.
Nee, het is Gods werk. Hij heeft de mensen die Hem toebehoren, al voor het begin van de wereld als zijn kinderen aangenomen door hen toe te vertrouwen aan Christus. Hij is het ook, die op een bepaald moment een krachtig appèl op hen doet, hun geloof en bekering schenkt, hen uit de macht van de duivel verlost en hun een plaats geeft in het koninkrijk van zijn Zoon. Het doel van dit alles is dat deze mensen de grote daden bekend zullen maken van Hem die hen uit de duisternis in zijn goddelijk licht heeft getrokken. Het moet hen niet gaan om hun eigen eer, maar om die van hun Heer. Hem moeten zij eren, zoals ook gedaan wordt op vele plaatsen in het Nieuwe Testament.

11

De wedergeboorte

God heeft een aantal mensen als kind aangenomen. Hij zorgt ervoor dat ze zich bekeren en gaat daarbij als volgt te werk: Enerzijds maakt Hij hun de blijde boodschap bekend en geeft Hij hun door de Heilige Geest helder inzicht zodat ze de boodschap van de Geest van God goed kunnen begrijpen en kunnen beoordelen wat van God komt en wat niet. Anderzijds dringt Hij door tot het innerlijk van zijn kinderen: dezelfde Geest maakt nieuwe mensen van hen. God opent het gesloten hart, Hij breekt de weerstanden, "besnijdt het onbesneden hart" (Deut. 30:6). Onwillige en eigenzinnige mensen maakt Hij bereidwillig en gehoorzaam. Hij stimuleert hen zo, dat ze gaan leven zoals Hij het wil, net zoals een goede boom goede vruchten draagt.

12

De Heilige Geest werkt de wedergeboorte in een mens

De Bijbel gebruikt hiervoor de volgende uitdrukkingen: wij worden opnieuw geboren, ons leven wordt nieuw gemaakt, wij krijgen een nieuw leven, wij worden opnieuw geschapen, God wekt ons op uit de dood en maakt ons levend.
Wij doen dit niet zelf, maar God doet dit allemaal in ons. Wij worden niet opnieuw geboren door het horen van de blijde boodschap alleen of doordat God ons aanraadt wat we moeten doen. Dan zou het alsnog aan de mensen zelf overgelaten worden of ze zich bekeren of niet. Integendeel, Gods werk is onverklaarbaar en voor mensen niet te begrijpen; het is een mysterie. De Bijbel zegt ervan dat dit werk in niets onder doet voor de schepping of het weer levend maken van doden. Iedereen in wie God dit doet wordt zonder meer opnieuw geboren en gaat daadwerkelijk geloven. De mensen die zo door God gewillig zijn gemaakt, zetten zich nu ook zelf in. Het is dus juist om te zeggen dat de mensen zelf gaan geloven en hun leven veranderen, maar dan alleen dankzij het geschenk dat zij van God ontvangen hebben.

13

Gelovigen begrijpen niet helemaal de werking van de wedergeboorte, ze ervaren wel geloofszekerheid

De gelovigen kunnen tijdens hun leven niet volkomen begrijpen hoe dit allemaal in z’n werk gaat. Toch hebben ze dit houvast: ze weten en ervaren dat ze dankzij dit geschenk van God geloven en hun Redder liefhebben.

14

Het geloof en de wil om te geloven is een gave van God

Het geloof is een geschenk van God. Niet dat dit een vrijblijvend aanbod is: het is een geschenk dat niet geweigerd kan worden. Ook is het niet zo dat God alleen de mogelijkheid om te geloven geeft om daarna af te wachten of de mensen er uit zichzelf mee instemmen en daadwerkelijk gaan geloven. Nee, Hij zorgt er voor dat ze willen geloven en het doen ook.

15

God is ons niets schuldig, alles is genade

God is niet verplicht iemand het geloof te geven. Hij is immers niemand iets schuldig, omdat niemand Hem iets anders te bieden heeft dan ongehoorzaamheid en leugens. Degene die dit geloof van God krijgt, moet dan ook alleen God dank betuigen.
De mensen die het geloof niet krijgen, geven niet in het minst om geestelijke zaken en vinden hun levensvervulling alleen in zichzelf. Ook zijn er die zich in zorgeloosheid erop beroemen dingen te hebben die ze niet hebben. En verder, wat het beoordelen van anderen betreft: van de mensen die openlijk uitkomen voor hun geloof en hun leven beteren, moeten we het beste denken en spreken, naar het voorbeeld van de apostelen. Immers wat in hun hart leeft, weten we niet.
Tegenover de anderen die God nog niet heeft geroepen, moeten we ons niet op de borst slaan, net alsof het onderscheid tussen hen en ons door onszelf gemaakt is. Nee, we moeten voor hen bidden tot God, die dingen die er niet zijn, schept.

16

God vernietigt de menselijke eigenschappen niet, maar buigt die liefdevol om

Ook al zijn alle mensen ten gevolge van Adams ongehoorzaamheid door en door slecht geworden, toch zijn ze echt mens gebleven met een eigen verstand en wil. Als God ervoor zorgt dat mensen opnieuw geboren worden, ondergaan ze dat dan ook niet als willoze werktuigen. Hij schakelt de mens er niet bij uit en dwingt hen ook niet tegen wil en dank. Nee, God maakt dat ze zich bekeren en zich volledig op Hem richten. Dan begint de gehoorzaamheid aan God de overhand te krijgen over het verzet tegen Hem. En de gehoorzaamheid aan God brengt echte vrijheid met zich mee: willen wat God wil. Wanneer God niet zou ingrijpen, zou de mens de hoop wel op kunnen geven om op eigen kracht uit de ellende te komen waar hij zichzelf in heeft gestort.

17

Als middel om zalig te worden gebruikt God het evangelie

Het is nu wel duidelijk dat alleen God de mensen een nieuw leven geeft. Dat is niet in tegenspraak met het feit dat de Bijbel voor ons een van de middelen is om dat te bereiken. Want God zelf heeft ons de Bijbel gegeven om ons geloof erop te funderen en erdoor te versterken. Het is te vergelijken met ons lichaam. God heeft dat geschapen en blijft er ook voor zorgen, maar wij moeten de middelen, die God ons daarvoor gegeven heeft, ook gebruiken. Zo hebben de apostelen en de kerkvaders de mensen geleerd dat alleen God hun een nieuw leven geeft. Maar ook zetten ze de mensen op grond van de Bijbel aan om de boodschap te aanvaarden, de sacramenten te gebruiken en zich te onderwerpen aan de kerkelijke tucht.
De hoogmoed van mensen die denken dat ze zichzelf wel kunnen redden, wordt zo bestreden. Zo moeten ook de predikanten en de gemeenteleden het niet wagen, God uit te dagen door die dingen te scheiden die Hij heeft gekoppeld. Want door Gods geschenken te gebruiken, krijgen wij het eeuwige leven. Hoe beter wij dit doen, des te duidelijker blijkt hoe God zich met ons bezig houdt. Dan zal Gods werk ook de beste voortgang hebben.
Voor de middelen die God geeft om het eeuwige leven te krijgen, komt alleen Hem alle eer toe voor altijd. Amen.

1

Verwerping van de dwaling: De erfzonde alleen is niet genoeg om de mensheid te verdoemen

"Je kunt eigenlijk niet zeggen dat de overtreding van Adam op zichzelf erg genoeg is om de hele mensheid te straffen of te veroordelen tot de eeuwige dood."

Dit is echter in tegenspraak met wat Paulus zegt: "Door één mens is het kwaad de wereld binnengekomen en door het kwaad de dood. Zo heeft de dood alle mensen in zijn greep gekregen, omdat allen verkeerde dingen gedaan hebben" (Rom. 5:12);
"(…) en na één overtreding luidde het vonnis: veroordeeld (…)" (Rom. 5:16);
"Het loon dat door het kwaad uitbetaald wordt, is de dood" (Rom. 6:23).

2

Verwerping van de dwaling: Geestelijke gaven waren niet aanwezig in de menselijke wil

"Toen de mens geschapen werd, was zijn wil goed noch slecht. Het feit dat de mens rechtvaardig was en aan God toegewijd, stond daar los van. Toen de mens ongehoorzaam werd, verloor hij wel die goede eigenschappen, maar zijn wil veranderde niet."

Dit is in strijd met de beschrijving van de mens als beeld van God. In Ef. 4:24 zegt Paulus dat dit beeld inhoudt dat de mens rechtvaardig is en aan God toegewijd. Dit geldt voor de hele mens, dus ook voor zijn wil.

3

Verwerping van de dwaling: De vrije wil is door de zondeval niet aangetast

"Nadat de mens ongehoorzaam geworden was, verloor hij wel zijn goede eigenschappen, maar zijn wil werd daardoor niet aangetast. De wil van de mens werd alleen gehinderd doordat zijn denken verblind was en hij zijn gevoelens niet beheerste. Wanneer de wil hiervan geen last meer zou ondervinden, zou ze gebruik kunnen maken van de vrijheid die haar eigen is. Dat betekent dat de wil kan kiezen het goede wel of niet te doen."

Dit is een volkomen onjuiste opvatting: aan de wil worden mogelijk heden toegekend die ze niet heeft. Maar Jeremia zegt: "Niets is zo verraderlijk als het mensenhart; het is door en door slecht" (Jer. 17:9);
en Paulus zegt: "Net als zij (namelijk de mensen die God niet gehoorzamen (vert.)) lieten ook wij ons vroeger beheersen door wat ons slechte hart wilde en deden wat er maar aan verkeerds in ons hoofd opkwam" (Ef. 2:3).

4

Verwerping van de dwaling: Onbekeerden zijn niet helemaal geestelijk dood en kunnen verlangen naar de gerechtigheid

"De mens die niet opnieuw geboren is, is niet helemaal dood, maar alleen voor zover hij slecht is. Want hij mist de kracht om goed te doen niet volledig. Hij kan ernaar verlangen te handelen en te leven zoals God het wil. Diepbedroefd over zijn slechte aard kan hij zich neerbuigen voor God en dat is iets wat God graag ziet."

Dit gaat in tegen wat de Bijbel duidelijk zegt in Ef. 2:1,5: "U bent dood ten gevolge van uw overtredingen en slechtheid." Uit Gen. 6:5 en 8:21 blijkt: Wat het hart de mens ook ingeeft, hij is altijd alleen maar uit op het verkeerde. Bovendien: als iemand bevrijd wil worden uit zijn ellendige toestand en verlangt te leven zoals God het wil en als hij zich voor God neerbuigt, dan wijst dat er juist op dat hij opnieuw geboren is en ‘gelukkig’ genoemd wordt, zoals in Ps. 51:19 en Mat. 5:6.

5

Verwerping van de dwaling: De overgebleven gaven kan een mens gebruiken om bij het heil te komen

"Ook al zijn ze slecht, de mensen hebben allemaal het natuurlijk inzicht: dat is nog over van wat Adam en Eva gekregen hadden voordat ze God ongehoorzaam werden. Door dat inzicht op een goede manier te gebruiken, kunnen ze stapje voor stapje een groter geschenk verwerven, namelijk de redding waarover de Bijbel spreekt. En dan is God van zijn kant bereid Christus aan hen allemaal bekend te maken. Immers, aan iedereen geeft God uitgebreid de mogelijkheid om Christus te leren kennen, te gaan geloven en zich te bekeren."

De geschiedenis leert dat dit onjuist is. Ook de Bijbel zegt het anders: "Hij maakte aan Jakob bekend wat Hij wilde zeggen, aan Israël zijn rechtsregels. Dat deed Hij met geen enkel ander volk: zij kennen zijn rechtregels niet" (Ps. 147:19, 20);
"In het verleden liet God alle volken hun gang gaan" (Hand. 14:16);
"Ze trokken door Phrygië en Galatië, want de Heilige Geest weerhield hen ervan om in Asia de boodschap te brengen. Toen ze in Mysië gekomen waren, wilden ze naar Bithynië reizen, maar ook dit stond de Geest van Jezus hun niet toe" (Hand. 16:6,7).

6

Verwerping van de dwaling: God geeft de macht om tot het geloof te komen, geloven doet een mens zelf

"Het is onmogelijk dat God iets in onze wil verandert als we ons bekeren. Daarom is het helemaal geen geschenk van God dat we gaan geloven. Integendeel, het is een daad die we zelf stellen. Alleen dan kun je van een ‘geschenk van God’ spreken, wanneer je daarmee doelt op de mogelijkheid die God ons geeft om te gaan geloven."

De Bijbel zegt daarentegen dat God wel degelijk iets verandert in ons hart wanneer we gaan geloven. God zelf zegt: "Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven" (Jer. 31:33); en "Ik zal water uitgieten op dorstige aarde en stromen water op droge grond; zo zal Ik mijn Geest uitgieten over uw kinderen" (Jes. 44:3);
en in Rom. 5:5: "(…) God heeft ons hart gevuld met zijn liefde door ons de Heilige Geest te geven." Bovendien is het in strijd met het gebruik van de kerk, die altijd zo gebeden heeft (net als in Jer. 31:18): "Breng ons bij U terug, dan zullen wij bij U terug komen."

7

Verwerping van de dwaling: Genade is niets anders dan zacht aandringen van God om je te bekeren

"Het enige wat God doet als we ons bekeren, is ons een aansporing geven. Anderen zeggen zelfs dat dit nu juist het mooie is van de manier waarop de mensen bekeerd worden. Dit strookt ook het meest met de menselijke geaardheid. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat dit onvoldoende zou zijn om ons te bekeren. Alleen op deze manier probeert God de instemming van de wil te verkrijgen. Hoe kan het dan dat Gods manier van werken effectiever is dan die van de Satan? Dat komt hierdoor dat Satan iets belooft wat slechts tijdelijk is, maar God iets wat eeuwig is."

Dit is allemaal door en door pelagiaans. De Bijbel spreekt hier heel anders over: wat God met ons doet door het werk van de Heilige Geest, wanneer Hij ons bekeert, is veel en veel ingrijpender. Jahwe zegt: "Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest leggen in uw binnenste; het hart van steen neem Ik uit u weg en een hart van vlees geef Ik u ervoor in de plaats" (Ez. 36:26).

8

Verwerping van de dwaling: De wedergeboorte door God kun je als mens weerstaan

"Wanneer God mensen een nieuw leven geeft, gebruikt Hij daarbij zijn onbeperkte macht niet zo dat Hij hen tot het geloof brengt, zonder dat ze daar iets tegen kunnen doen. Ook als God hun de mogelijkheden heeft gegeven om zich te bekeren, kunnen ze zijn Geest alsnog afwijzen. Dat kan zelfs als God het uitdrukkelijke plan heeft om hun het nieuwe leven te geven. En dat gebeurt ook. De mens beslist dus zelf of hij het nieuwe leven krijgt of niet."

Op deze manier schakelt men de beslissende rol die God speelt bij onze bekering, uit; men kent meer invloed toe aan de wil van de mens dan aan God. Dit gaat in tegen de Bijbel: "(U weet) hoe overweldigend zijn macht is ten opzichte van ons die geloven" (Ef. 1:19);
"Moge Hij door zijn macht ervoor zorgen dat u al uw welgemeende voornemens kunt uitvoeren en dat uw gelovige inspanning resultaat heeft" (2 Thes. 1:11);
"Omdat zijn goddelijke macht ons alles gegeven heeft wat nodig is om te leven tot Gods eer" (2 Petr. 1:3).

9

Verwerping van de dwaling: De wil van de mens en Gods genade werken samen de bekering

"Het werk van God en de eigen beslissing van de mens vormen samen het begin van het nieuwe leven van de mens. God neemt daarbij niet het initiatief: Hij werkt niet eerder mee aan de bekering van de mens dan dat de mens zelf besloten heeft om zich te bekeren."

De kerk heeft deze leer vroeger al eens bij de navolgers van Pelagius afgewezen, op grond van wat de apostel Paulus zegt in Rom. 9:16: "Het hangt dus niet af van de wil of van de inspanning van mensen, maar het hangt ervan af of God zich je lot aantrekt";
in 1 Kor. 4:7a: "Zou u hoger aangeslagen moeten worden dan anderen? Hebt u niet alles, waarop u zich laat voorstaan, gekregen?";
en in Fil. 2:13: "God is het die in u werkzaam is en die u enthousiast maakt voor zijn plannen, zodat u zich ervoor inzet."

Met toestemming overgenomen uit: De Dordtse Leerregels, vertaald in gewoon Nederlands; vertaald door Freerk Jan Berghuis, Jaap Jonker, George Nieboer, Rein Tromp, Pieter G.B. de Vries, Zwanetta de Vries-Por, Otto B. Wiersma en Simone Wiersma-Wieringa, 1983, Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak
hedendaags
HSV
16
leermodusleren