Paragraaf 16 God vernietigt de menselijke wil niet, maar buigt die liefdevol om

De mens heeft door de zondeval niet opgehouden mens te zijn.
Hij bezit nog de gaven van verstand en wil.
Ook heeft de zonde, die door het hele menselijk geslacht is doorgedrongen,
de natuur van de mens niet weggenomen,
maar wel verdorven en in geestelijke zin gedood. a
Zo is het ook met de goddelijke genade van de wedergeboorte.
Die werkt in de mensen niet als in stokken en blokken
en vernietigt de wil en zijn eigenschappen niet.
Zij dwingt hem niet met geweld tegen wil en dank,
maar maakt hem geestelijk levend, heelt en herstelt hem
en buigt hem om op liefdevolle en tegelijk krachtige wijze. b

Het gevolg hiervan is dat in plaats van een hardnekkige tegenstand van het vlees,
die eerst ten enenmale de overhand had,
nu een gewillige en oprechte gehoorzaamheid door de Geest de overhand begint te krijgen.
Daarin is het ware en geestelijke herstel en de bevrijding van onze wil gelegen.

En als die wonderbare Werkmeester van alle goed niet op deze wijze met ons handelde,
dan zou de mens geen enkele hoop hebben om door zijn vrije wil uit zijn val te kunnen opstaan,
waardoor hij zichzelf, toen hij nog (recht voor God) stond,
in het verderf gestort heeft.

Met toestemming overgenomen uit: De Dordtse Leerregels, een hertaling; dr. W. Verboom, 2018, KokBoekencentrum Uitgevers.

De menselijke wil bezit altijd wilsvrijheid. Zonder wedergeboorte is deze vrijheid altijd gericht op het kwade, maar het is vrijheid. Daarom zijn alle handelingen van een mens vrijwillige handelingen. Niemand zondigt gedwongen en God verplicht niemand om te zondigen. In de wedergeboorte maakt God de wil goed. Daardoor zijn de daden van geloof, hoop en liefde vrijwillige daden van de mens zelf, voortkomend uit de wil die door God goed gemaakt is. Dit artikel benadrukt dat wij geen stokken en blokken zijn (volledig passief: een dood stuk hout wat niet meewerkt of tegenwerkt), maar schepselen met een verstand en wil. God vernietigt onze wil niet en dwingt deze niet tegen wil en dank, maar maakt onze wil geestelijk levend, herstelt en buigt de wil om op liefdevolle en tegelijk krachtige wijze.
Luther schrijft hierover in zijn boek De knechtelijke wil het volgende:
Als de mens zonder Gods Geest is, doet hij het kwaad niet tegen zijn zin. Hij hoeft daartoe beslist niet overweldigd te worden - zoals men een dief of een rover bij zijn nek naar de plaats sleurt waar zijn straf aan hem voltrokken zal worden - maar hij doet het uit zichzelf en vrijwillig. (..) Omgekeerd, als God wél in ons werkt, ook dan wil en doet onze wil - nu op een ander spoor gezet en vriendelijk toegefluisterd door Gods Geest - alles geheel vrij, bereidwillig en spontaan: er is geen dwang.

Bewijsteksten

a

Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood. Romeinen 8:2

Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden. Efeze 2:1

b

Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest. Psalmen 51:12

Want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen. Filippenzen 2:13

hedendaags
HSV
onder tekst
17
leermodusleren