Paragraaf 16 God vernietigt de menselijke wil niet, maar buigt die liefdevol om

Doch gelijk de mens door den val niet heeft opgehouden een mens te zijn,
begaafd met verstand en wil,
en gelijk de zonde, die het ganse menselijk geslacht heeft doordrongen,
de natuur des mensen niet heeft weggenomen,
maar verdorven en geestelijker wijze gedood; a
alzo werkt ook deze Goddelijke genade der wedergeboorte
in de mensen niet als in stokken en blokken,
en vernietigt den wil en zijn eigenschappen niet,
en dwingt dien niet met geweld zijns ondanks,
maar maakt hem geestelijk levend, heelt, verbetert,
en buigt hem tegelijk liefelijk en krachtiglijk; b

alzo dat, waar de wederspannigheid en tegenstand des vleses
tevoren ten enenmale de overhand had,
daar nu een gewillige en oprechte gehoorzaamheid des Geestes
de overhand begint te krijgen;
waarin de waarachtige en geestelijke wederoprichting en vrijheid van onzen wil gelegen is.

En tenware dat die wonderbaarlijke Werkmeester alles goeds
in dezer voege met ons handelde,
de mens zou ganselijk geen hoop hebben van uit den val te kunnen opstaan
door zijn vrijen wil, waardoor hij zichzelf toen hij nog stond, in het verderf heeft gestort.

De menselijke wil bezit altijd wilsvrijheid. Zonder wedergeboorte is deze vrijheid altijd gericht op het kwade, maar het is vrijheid. Daarom zijn alle handelingen van een mens vrijwillige handelingen. Niemand zondigt gedwongen en God verplicht niemand om te zondigen. In de wedergeboorte maakt God de wil goed. Daardoor zijn de daden van geloof, hoop en liefde vrijwillige daden van de mens zelf, voortkomend uit de wil die door God goed gemaakt is. Dit artikel benadrukt dat wij geen stokken en blokken zijn (volledig passief: een dood stuk hout wat niet meewerkt of tegenwerkt), maar schepselen met een verstand en wil. God vernietigt onze wil niet en dwingt deze niet tegen wil en dank, maar maakt onze wil geestelijk levend, herstelt en buigt de wil om op liefdevolle en tegelijk krachtige wijze.
Luther schrijft hierover in zijn boek De knechtelijke wil het volgende:
Als de mens zonder Gods Geest is, doet hij het kwaad niet tegen zijn zin. Hij hoeft daartoe beslist niet overweldigd te worden - zoals men een dief of een rover bij zijn nek naar de plaats sleurt waar zijn straf aan hem voltrokken zal worden - maar hij doet het uit zichzelf en vrijwillig. (..) Omgekeerd, als God wél in ons werkt, ook dan wil en doet onze wil - nu op een ander spoor gezet en vriendelijk toegefluisterd door Gods Geest - alles geheel vrij, bereidwillig en spontaan: er is geen dwang.

Bewijsteksten

a

Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. Romeinen 8:2

En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden. Efeze 2:1

b

Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest. Psalmen 51:12

Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. Filippenzen 2:13

origineel
SV
onder tekst
17
leermodusleren