1

Door de zondeval heeft de mens zichzelf van het beeld van God beroofd

De mens is van den beginne naar het beeld Gods geschapen, a
versierd in zijn verstand met ware en zalige kennis van zijn Schepper
en van andere geestelijke dingen;
in zijn wil en hart met gerechtigheid;
in al zijn genegenheden met zuiverheid;
en is overzulks geheel heilig geweest.
Maar door het ingeven des duivels,
en zijn vrijen wil van God afwijkende,
heeft hij zichzelf van deze uitnemende gaven beroofd,
b
en heeft daarentegen in de plaats van die over zich gehaald
blindheid, schrikkelijke duisternis, ijdelheid
en verkeerdheid des oordeels in zijn verstand;
boosheid, wederspannigheid en hardigheid in zijn wil en hart;
mitsgaders ook onzuiverheid in al zijn genegenheden.
c

2

De erfzonde

Zodanig als nu de mens geweest is na den val,
zodanige kinderen heeft hij ook voortgebracht,
namelijk hij, verdorven zijnde, verdorvene;
a
alzo dat de verdorvenheid, naar Gods rechtvaardig oordeel,
van Adam op al zijn nakomelingen (uitgenomen alleen Christus)
b gekomen is,
niet door navolging, gelijk eertijds de Pelagianen gedreven hebben,
maar door voortplanting der verdorven natuur.

3

Alle mensen zijn dood in de zonden

Overzulks zo worden alle mensen in zonde ontvangen,
en als kinderen des toorns geboren,
a
onbekwaam tot enig zaligmakend goed, geneigd tot kwaad,
dood in zonden en slaven der zonde.
b
En willen en kunnen tot God niet wederkeren,
noch hun verdorven natuur verbeteren,
noch zichzelf tot de verbetering daarvan schikken,
zonder de genade des wederbarenden Heiligen Geestes.
c

4

Het overgebleven licht der natuur is onvoldoende om God te leren kennen

Wel is waar dat na den val
in den mens enig licht der natuur nog overgebleven is,
waardoor hij behoudt enige kennis van God,
van de natuurlijke dingen,
van het onderscheid tussen hetgeen betamelijk en onbetamelijk is,
en ook betoont enige betrachting tot de deugd en tot uiterlijke tucht.
a
Maar zo vér is het vandaar, dat de mens door dit licht der natuur
zou kunnen komen tot de zaligmakende kennis van God,
en zich tot Hem bekeren,
dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet recht gebruikt;
ja veel meer datzelve, hoedanig het ook zij,
op onderscheiden wijze geheel bezoedelt en in ongerechtigheid ten onder houdt;
b
en dewijl hij dit doet, zo wordt hem alle verontschuldiging voor God benomen.

5

De wet van God wijst de zonden aan, maar geeft geen oplossing

Gelijk het met het licht der natuur toegaat,
zo gaat het ook in dezen toe met de wet der tien geboden,
van God door Mozes den Joden in het bijzonder gegeven.
Want nademaal deze de grootheid der zonde wel ontdekt
en den mens meer en meer van zijn schuld overtuigt,
a
doch het herstellingsmiddel daartegen niet aanwijst,
noch enige krachten toebrengt om uit deze ellendigheid te kunnen geraken,
en omdat zij alzo, door het vlees krachteloos geworden zijnde,
den overtreder onder den vloek blijven laat,
zo kan de mens daardoor de zaligmakende genade niet verkrijgen.
b

6

God maakt mensen zalig door de Heilige Geest en het evangelie

Hetgeen dan noch het licht der natuur, noch de wet doen kan,
dat doet God door de kracht des Heiligen Geestes,
en door het woord of de bediening der verzoening,
welke is het Evangelie van den Messias,
a
waardoor het God behaagd heeft de gelovige mensen,
zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, zalig te maken.
b

7

Door Gods welbehagen wordt het evangelie nu aan meer mensen geopenbaard

Deze verborgenheid van Zijn wil heeft God in het Oude Testament aan weinigen ontdekt,
doch in het Nieuwe Testament (het onderscheid der volken nu weggenomen zijnde)
heeft Hij haar aan meer mensen geopenbaard.
a
Van welke onderscheidene toebedelingen de oorzaak niet moet gesteld worden
in de waardigheid van het ene volk boven het andere,
of in het beter gebruik van het licht der natuur,
maar in het gans vrije welbehagen en de onverdiende liefde Gods;
b
waarom ook diegenen, wien buiten,
ja tegen alle verdiensten zo groot een genade geschiedt,
haar met een nederig en dankbaar hart moeten erkennen,
maar in de anderen, wien deze genade niet geschiedt, moeten zij
met den apostel de gestrengheid en rechtvaardigheid van Gods oordelen aanbidden
en die geenszins curieuslijk onderzoeken.
c

8

Welmenend roept God iedereen die het evangelie hoort

Doch zovelen als er door het Evangelie geroepen worden,
die worden ernstiglijk geroepen.
Want God betoont ernstiglijk en waarachtiglijk in Zijn Woord
wat Hem aangenaam is,
namelijk dat de geroepenen tot Hem komen.
Hij belooft ook met ernst allen,
die tot Hem komen, en geloven,
de rust der zielen en het eeuwige leven.
a

9

Het is hun eigen schuld als geroepenen niet de roepstem van het evangelie gehoorzamen

Dat er velen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde,
niet komen en niet bekeerd worden,
a
daarvan is de schuld niet in het Evangelie,
noch in Christus, door het Evangelie aangeboden zijnde,
noch in God, Die door het Evangelie roept,
en Zelf ook, dien Hij roept, onderscheiden gaven mededeelt;
b
maar in degenen, die geroepen worden;
van dewelken sommigen, zorgeloos zijnde, het woord des levens niet aannemen;
anderen nemen het wel aan, maar niet in het binnenste huns harten,
en daarom is het, dat zij, na een kortstondige blijdschap
van het tijdelijk geloof wederom terugwijken;
anderen verstikken het zaad des Woords
door de doornen der zorgvuldigheden en wellusten der wereld,
en brengen geen vruchten voort;
hetwelk onze Zaligmaker leert in de gelijkenis van het zaad.
c

10

Geroepenen die tot bekering komen, moeten daarvan God de eer geven

Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde,
komen en bekeerd worden,
dat moet men den mens niet toeschrijven,
a
alsof hij zichzelf door zijn vrijen wil zou onderscheiden van anderen,
die met even grote of genoegzame genade tot het geloof en de bekering voorzien zijn
(hetwelk de hovaardige ketterij van Pelagius stelt);
maar men moet het Gode toeschrijven, die,
gelijk Hij de Zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus,
alzo ook dezelfden in den tijd krachtiglijk roept,
met het geloof en de bekering begiftigt,
en, uit de macht der duisternis verlost zijnde,
tot het Rijks Zijns Zoons overbrengt,
opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen,
Die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht,
b
en opdat zij niet in zichzelf, maar in den Heere zouden roemen,
gelijk de apostolische schriften telkens getuigen.
c

11

De wedergeboorte

Voorts wanneer God dit Zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert,
of de ware bekering in hen werkt,
zo is het dat Hij niet alleen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken,
en hun verstand krachtiglijk door den Heiligen Geest verlicht,
opdat zij recht zouden verstaan en onderscheiden die dingen, die des Geestes Gods zijn;
a
maar Hij dringt ook in tot de binnenste delen des mensen
met de krachtige werking van denzelfden wederbarenden Geest;
b
Hij opent het hart, dat gesloten is;
c
Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is.
d
In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden
en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt;
die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil;
die wederspannig was, gehoorzaam wordt;
Hij beweegt en sterkt dien wil alzo,
dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen.
e

12

De Heilige Geest werkt de wedergeboorte in een mens

En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing,
nieuwe schepping, opwekking van de doden, en levendmaking,
waarvan zo heerlijk in de Schriften gesproken wordt,
a
dewelke God zonder ons in ons werkt.
En deze wordt in ons niet teweeggebracht door middel van de uiterlijke prediking alleen,
noch door aanrading, of zulke manier van werking,
dat, wanneer nu God Zijn werk volbracht heeft,
het alsdan nog in de macht des mensen zou staan wedergeboren te worden
of niet wedergeboren te worden,
bekeerd te worden of niet bekeerd te worden.
Maar het is een gans bovennatuurlijke, een zeer krachtige,
en tegelijk zeer zoete, wonderlijke, verborgene en onuitsprekelijke werking,
dewelke, naar het getuigenis der Schrift
(die van den Auteur van deze werking is ingegeven),
in haar kracht niet minder noch geringer is
dan de schepping of de opwekking der doden;
b
alzo dat al diegenen, in wier harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt,
zekerlijk, onfeilbaar en krachtiglijk wedergeboren worden en daadwerkelijk geloven.
En alsdan wordt de wil, zijnde nu vernieuwd,
niet alleen van God gedreven en bewogen,
maar, van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf.
c
Waarom ook terecht gezegd wordt, dat de mens,
door de genade die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert.

13

Gelovigen begrijpen niet helemaal de werking van de wedergeboorte, ze ervaren wel geloofszekerheid

De wijze van deze werking
kunnen de gelovigen in dit leven niet volkomenlijk begrijpen;
a
ondertussen stellen zij zich daarin gerust,
dat zij weten en gevoelen,
dat zij door deze genade Gods met het hart geloven,
en hun Zaligmaker liefhebben.
a

14

Het geloof en de wil om te geloven is een gave van God

Zo is dan het geloof een gave Gods; a
niet omdat het aan den vrijen wil des mensen van God wordt aangeboden,
maar omdat het den mens metterdaad wordt medegedeeld,
ingegeven, en ingestort;
ook niet daarom, dat God alleen de macht om te geloven zou geven,
en daarna de toestemming of
het daadwerkelijk geloven van den vrijen wil des mensen verwachten;
maar omdat Hij, Die daar werkt het willen en het werken,
b
ja alles werkt in allen,
in den mens teweegbrengt beide,
den wil om te geloven en het geloof zelf.

15

God is ons niets schuldig, alles is genade

Deze genade is God aan niemand schuldig;
want wat zou Hij schuldig zijn dengenen,
die Hem niets eerst geven kan, opdat het hem vergolden worde?
a
Ja, wat zou God dien schuldig zijn,
die van zichzelf niet anders heeft dan zonde en leugen?
Diegene dan, die deze genade ontvangt,
die is Gode alleen daarvoor eeuwige dankbaarheid schuldig,
en dankt Hem ook daarvoor;
diegene, die deze genade niet ontvangt,
die acht ook deze geestelijke dingen gans niet,
en behaagt zichzelf in het zijne;
of, zorgeloos zijnde, roemt hij ijdellijk, dat hij heeft hetgeen hij niet heeft.
b
Voorts, van diegenen die hun geloof uiterlijk belijden en hun leven beteren,
moet men naar het voorbeeld der apostelen het beste oordelen en spreken;
c
want het binnenste des harten is ons onbekend.
En wat aangaat anderen, die nog niet geroepen zijn,
voor dezulken moet men God bidden,
Die de dingen die niet zijn, roept, alsof zij waren;
en wij moeten ons geenszins tegenover hen verhovaardigen,
alsof wij onszelf uitgezonderd hadden.
d

16

God vernietigt de menselijke eigenschappen niet, maar buigt die liefdevol om

Doch gelijk de mens door den val niet heeft opgehouden een mens te zijn,
begaafd met verstand en wil,
en gelijk de zonde, die het ganse menselijk geslacht heeft doordrongen,
de natuur des mensen niet heeft weggenomen,
maar verdorven en geestelijker wijze gedood;
a
alzo werkt ook deze Goddelijke genade der wedergeboorte
in de mensen niet als in stokken en blokken,
en vernietigt den wil en zijn eigenschappen niet,
en dwingt dien niet met geweld zijns ondanks,
maar maakt hem geestelijk levend, heelt, verbetert,
en buigt hem tegelijk liefelijk en krachtiglijk;
b
alzo dat, waar de wederspannigheid en tegenstand des vleses
tevoren ten enenmale de overhand had,
daar nu een gewillige en oprechte gehoorzaamheid des Geestes
de overhand begint te krijgen;
waarin de waarachtige en geestelijke wederoprichting en vrijheid van onzen wil gelegen is.
En tenware dat die wonderbaarlijke Werkmeester alles goeds
in dezer voege met ons handelde,
de mens zou ganselijk geen hoop hebben van uit den val te kunnen opstaan
door zijn vrijen wil, waardoor hij zichzelf toen hij nog stond, in het verderf heeft gestort.

17

Als middel om zalig te worden gebruikt God het evangelie

Gelijk ook die almachtige werking Gods,
waardoor Hij dit ons natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt,
niet uitsluit, maar vereist het gebruik der middelen,
a
door welke God naar Zijn oneindige wijsheid en goedheid
deze Zijn kracht heeft willen uitoefenen;
alzo is het ook, dat de voormelde bovennatuurlijke werking Gods,
waardoor Hij ons wederbaart,
geenszins uitsluit, noch omstoot het gebruik des Evangelies,
hetwelk de wijze God tot een zaad der wedergeboorte en spijze der ziel verordineerd heeft.
b
Daarom dan, gelijk de apostelen en de leraars, die hen zijn gevolgd,
van deze genade Gods het volk godzaliglijk hebben onderricht,
Hem ter eer, en tot nederdrukking van allen hoogmoed des mensen,
en ondertussen nochtans niet hebben nagelaten,
hen door heilige vermaningen des Evangelies te houden
onder de oefening des Woords, der Sacramenten en kerkelijke tucht;
c
alzo moet het ook nu ver vandaar zijn, dat diegenen,
die anderen in de gemeente leren, of die geleerd worden,
zich zouden vermeten God te verzoeken door het scheiden dier dingen,
die God naar Zijn welbehagen heeft gewild dat te zamen gevoegd zouden blijven.
d
Want door de vermaningen wordt de genade medegedeeld;
en hoe vaardiger wij ons ambt doen,
des te heerlijker vertoont zich ook de weldaad Gods, Die in ons werkt,
en Zijn werk gaat dan allerbest voort.
e
Welken God alleen toekomt, zo vanwege de middelen,
als vanwege de zaligmakende vrucht en kracht daarvan,
alle heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.

1

Verwerping van de dwaling: De erfzonde alleen is niet genoeg om de mensheid te verdoemen

Die leren: Dat men eigenlijk niet zeggen kan,
dat de erfzonde in zichzelf genoegzaam is
om het ganse menselijke geslacht te verdoemen,
of om tijdelijke en eeuwige straffen te verdienen.

Want dezen wederspreken den apostel, die daar zegt:
Door één mens is de zonde in de wereld ingekomen, en door de zonde de dood;
en alzo is de dood tot alle mensen doorgegaan,
in welken allen gezondigd hebben (Rom. 5:12);
en: De schuld is uit één misdaad tot verdoemenis (Rom. 5:16);
en: De bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6:23).

2

Verwerping van de dwaling: Geestelijke gaven waren niet aanwezig in de menselijke wil

Die leren: Dat de geestelijke gaven,
of de goede hoedanigheden en deugden, als daar zijn:
goedheid, heiligheid, rechtvaardigheid,
in den wil des mensen, toen hij eerst geschapen werd, niet konden zijn,
en dat zij dienvolgens in zijn val daarvan niet hebben kunnen gescheiden worden.

Want zulks strijdt tegen de beschrijving van het evenbeeld Gods,
welke de apostel stelt,
a alwaar hij getuigt,
dat het bestaat in rechtvaardigheid en heiligheid,
welke beide ongetwijfeld in den wil hun plaats hebben.

3

Verwerping van de dwaling: De vrije wil is door de zondeval niet aangetast

Die leren: Dat in den geestelijken dood de geestelijke gaven
niet van des mensen wil zijn gescheiden,
nademaal de wil in zichzelf nooit is verdorven geweest,
maar alleenlijk door de duisternis des verstands
en de ongeregeldheid der geneigdheden verhinderd;
en dat, deze verhinderingen weggenomen zijnde,
alsdan de wil zijn vrije aangeboren kracht zou in het werk kunnen stellen,
dat is: allerlei goed, hetwelk hem voorkomt,
uit zichzelf zou kunnen willen en verkiezen, of niet willen en niet verkiezen.

Dit is een nieuwigheid en dwaling, en strekt daartoe,
dat zij de krachten van den vrijen wil verheft;
tegen de uitspraak van den profeet: Arglistig is het hart,
meer dan enig ding, ja dodelijk is het (Jer. 17:9);
en des apostels: Onder dewelke (kinderen der ongehoorzaamheid),
ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses,
doende den wil des vleses en der gedachten (Ef. 2:3).

4

Verwerping van de dwaling: Onbekeerden zijn niet helemaal geestelijk dood en kunnen verlangen naar de gerechtigheid

Die leren: Dat de onwedergeboren mens niet eigenlijk noch geheellijk dood is in de zonde,
of ontbloot van alle krachten tot het geestelijk goed;
maar dat hij nog kan hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en het leven,
en offeren een offerande eens verslagenen en gebrokenen geestes,
die Gode aangenaam is.

Want deze dingen strijden tegen de klare getuigenissen der Schrift:
Gij waart dood door de misdaden en de zonden (Ef. 2:1,5);
en: Al het gedichtsel der gedachten zijns harten
is ten allen dage alleenlijk boos (Gen. 6:5 en 8:21).
Daarenboven, hongeren en dorsten naar de verlossing uit de ellende, en naar het leven,
en Gode een offerande van een gebroken geest opofferen,
geldt eigenlijk van de wedergeborenen,
en van degenen die zalig genaamd worden.
a

5

Verwerping van de dwaling: De overgebleven gaven kan een mens gebruiken om bij het heil te komen

Die leren: Dat de verdorven en natuurlijke mens de gemene genade
(waardoor zij verstaan het licht der natuur), of de gaven,
hem na den val nog overgelaten,
zo wel gebruiken kan, dat hij door dat goed gebruik een meerdere,
namelijk de evangelische of zaligmakende genade
en de zaligheid zelf allengskens en bij trappen zou kunnen bekomen.
En dat in dezer voege God Zich van Zijn zijde betoont gereed te zijn,
om Christus aan alle mensen te openbaren,
naardien Hij de middelen, die tot de bekering nodig zijn,
genoegzaam en krachtig aan allen toedient.

Want benevens de ervaring van alle tijden
betuigt ook de Schrift dat zulks onwaarachtig is:
Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten.
Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet (Ps. 147:19-20).
God heeft in de verleden tijden
al de heidenen laten wandelen in hun wegen (Hand. 14:16);
en: Zij (te weten Paulus met de zijnen) werden van den Heiligen Geest
verhinderd het Woord in Azië te spreken;
en aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen;
en de Geest liet het hun niet toe (Hand. 16:6-7).

6

Verwerping van de dwaling: God geeft de macht om tot het geloof te komen, geloven doet een mens zelf

Die leren: Dat in de ware bekering des mensen
geen nieuwe hoedanigheden, krachten of gaven in den wil
door God kunnen ingestort worden,
en dat, overzulks het geloof, waardoor wij eerst bekeerd worden,
en waarvan wij gelovigen genoemd worden,
niet is een hoedanigheid of gave, van God ingestort,
maar alleen een daad des mensen,
en dat het niet anders kan gezegd worden een gave te zijn,
dan ten aanzien van de macht om tot hetzelve komen.

Want daarmede wederspreken zij de Heilige Schrift,
die getuigt dat God nieuwe hoedanigheden des geloofs,
der gehoorzaamheid en van het gevoel Zijner liefde in onze harten uitstort:
Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven (Jer. 31:33);
en: Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge;
Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten (Jes. 44:3);
en: De liefde Gods is in onze harten uitgestort door den Heiligen Geest,
Die ons gegeven is (Rom. 5:5).
Zulks strijdt ook tegen het standvastig gebruik der Kerk Gods,
dewelke bij den profeet aldus bidt: Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn (Jer. 31:18).

7

Verwerping van de dwaling: Genade is niets anders dan zacht aandringen van God om je te bekeren

Die leren: Dat de genade, waardoor wij tot God bekeerd worden,
niet anders is dan een zachte aanrading;
of (gelijk anderen dit verklaren) dat dit de alleredelste manier van werking is
in de bekering des mensen, en die het best overeenkomt met de natuur des mensen,
welke door aanrading geschiedt; en dat er niets is,
waarom deze aanradende genade alleen niet zou genoegzaam zijn
om den natuurlijken mens geestelijk te maken;
ja, dat God niet anders de toestemming van den wil voortbrengt,
dan door deze wijze van aanrading;
en dat de kracht der Goddelijke werking,
waardoor zij de werking des satans te boven gaat,
hierin bestaat, dat God eeuwige, maar de satan tijdelijke goederen belooft.

Want dit is gans Pelagiaans en in strijdig tegen de gehele Heilige Schrift;
dewelke, behalve deze, nog een andere en veel krachtiger en Goddelijker manier
van werking des Heiligen Geestes in de bekering des mensen erkent;
gelijk bij Ezechiël: Ik zal u een nieuw hart geven,
en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u;
en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen,
en zal u een vlesen hart geven (Ez. 36:26).

8

Verwerping van de dwaling: De wedergeboorte door God kun je als mens weerstaan

Die leren: Dat God zulke krachten Zijner almogendheid
in de wedergeboorte des mensen niet gebruikt,
waardoor Hij diens wil krachtiglijk en onfeilbaar zou buigen tot geloof en bekering;
maar dat, al de werkingen der genade volbracht zijnde,
dewelke God gebruikt om den mens te bekeren,
de mens nochtans Gode en den Heiligen Geest,
wanneer Hij zijn wedergeboorte voorheeft en hem wederbaren wil,
alzo kan wederstaan, en metterdaad ook dikwijls wederstaat,
dat hij zijns zelfs wedergeboorte ganselijk belet;
en dat het overzulks in zijn eigen macht blijft,
wedergeboren te worden of niet.

Want dit is anders niet, dan al de kracht van de genade Gods
in onze bekering wegnemen,
en de werking des almachtigen Gods aan den wil des mensen onderwerpen;
en dat tegen de apostelen, die leren:
dat wij geloven naar de werking der sterkte Zijner macht (Ef. 1:19);
en: dat God het welbehagen Zijner goedigheid,
en het werk des geloofs, in ons vervult met kracht (2 Thess. 1:11);
en: dat Zijn Goddelijke kracht ons alles,
wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft (2 Petr. 1:3).

9

Verwerping van de dwaling: De wil van de mens en Gods genade werken samen de bekering

Die leren: Dat de genade en de vrije wil gedeeltelijke oorzaken zijn,
die beide te zamen het begin van de bekering werken,
en dat de genade in orde van werking niet gaat vóór de werking van den wil;
dat is, dat God niet eer den wil des mensen krachtiglijk helpt tot de bekering,
dan wanneer de wil des mensen zichzelf beweegt en daartoe bepaalt.

Want de Oude Kerk heeft deze leer al overlang in de Pelagianen veroordeeld,
uit de woorden des apostels: Zo is het dan niet desgenen die wil,
noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods (Rom. 9:16).
Insgelijks: Wat onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? (1 Kor. 4:7);
en: Het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken,
naar Zijn welbehagen (Filipp. 2:13).

origineel
SV
16
leermodusleren