Paragraaf 12 De Heilige Geest werkt de wedergeboorte in een mens

En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing,
nieuwe schepping, opwekking van de doden, en levendmaking,
waarvan zo heerlijk in de Schriften gesproken wordt, a
dewelke God zonder ons in ons werkt.
En deze wordt in ons niet teweeggebracht door middel van de uiterlijke prediking alleen,
noch door aanrading, of zulke manier van werking,
dat, wanneer nu God Zijn werk volbracht heeft,
het alsdan nog in de macht des mensen zou staan wedergeboren te worden
of niet wedergeboren te worden,
bekeerd te worden of niet bekeerd te worden.

Maar het is een gans bovennatuurlijke, een zeer krachtige,
en tegelijk zeer zoete, wonderlijke, verborgene en onuitsprekelijke werking,
dewelke, naar het getuigenis der Schrift
(die van den Auteur van deze werking is ingegeven),
in haar kracht niet minder noch geringer is
dan de schepping of de opwekking der doden; b
alzo dat al diegenen, in wier harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt,
zekerlijk, onfeilbaar en krachtiglijk wedergeboren worden en daadwerkelijk geloven.

En alsdan wordt de wil, zijnde nu vernieuwd,
niet alleen van God gedreven en bewogen,
maar, van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf. c
Waarom ook terecht gezegd wordt, dat de mens,
door de genade die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert.

Wedergeboorte is iets wat de Heilige Geest werkt in het hart van alle gelovigen. De Heilige Geest werkt de wedergeboorte ‘zonder ons in ons’, maar gebruikt hiervoor wel het evangelie als middel (1. Petr. 1:23). De wedergeboorte is geen bewuste ervaring. De mens is tijdens de wedergeboorte passief en ondergaat deze. Een gelovige ervaart de gevolgen van de wedergeboorte, die zich ná het moment openbaren, zoals geloof, bekering, gehoorzaamheid en liefde tot God.
De wedergeboorte is het middel tot het daadwerkelijke geloven. De oorzaken van het geloof worden aan God toegeschreven (zoals de wedergeboorte en verkiezing), het geloven zelf is een daad van de mens. De afgevaardigden van Hessen formuleerden dit zo: God gelooft niet door middel van ons, maar wij geloven door middel van God. Of zoals Augustinus het eeuwen eerder al zei: Wij werken, maar God werkt in ons het werken. Daarom sluit deze paragraaf af met de woorden: de mens gelooft en bekeert zich (dankzij de genade en kracht die hij daarvoor van God gekregen heeft in de wedergeboorte). Geloof is daarom zowel een gave van God als een daad van de mens.

Bewijsteksten

a

Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. Johannes 3:3

Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. 2 Korinthe 4:6

Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. 2 Korinthe 5:17

Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten. Efeze 5:14

b

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven. Johannes 5:25

(Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welken hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren. Romeinen 4:17

c

Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. Filippenzen 2:13

origineel
SV
onder tekst
17
leermodusleren