1

Niemand is te verontschuldigen

Samen met Adam zijn alle mensen God ongehoorzaam geweest. God zou daarom niemand onrecht aangedaan hebben, als Hij alle mensen had laten lijden onder de gevolgen van hun slechtheid en hen tot de eeuwige dood veroordeeld had. De apostel Paulus zegt immers: "Alle mensen zijn in Gods ogen aansprakelijk voor het overtreden van de wet" (Rom. 3:19);
"Allen hebben verkeerde dingen gedaan en God rekent hen dat zwaar aan" (Rom. 3:23);
"Het loon dat door het kwaad uitbetaald wordt, is de dood" (Rom. 6:23).

2

Gods liefde openbaart zich in Zijn Zoon

Maar God heeft zijn liefde laten blijken: Hij heeft zijn enige Zoon uitgezonden naar de wereld, met de bedoeling dat iedereen, die in die Zoon gelooft, niet naar de hel gaat, maar eeuwig leeft. Vergelijk 1 Joh. 4:9 en Joh. 3:16.

3

Door de prediking van het evangelie worden alle mensen geroepen

De mensen moeten dus tot geloof gebracht worden. Daarvoor stuurt God mensen, die deze blijde boodschap over Gods liefde bekend maken — Hij bepaalt zelf naar wie en wanneer. Hij gebruikt hen om de mensen op te roepen zich te bekeren en te gaan geloven in Christus, die voor hen aan het kruis heeft geleden.
Vergelijk Rom. 10:14,15: "Want hoe kunnen ze in Hem geloven als ze nog nooit van Hem hebben gehoord? En hoe kunnen ze ooit van Hem horen als er niemand is die het nieuws over Hem bekend maakt? En hoe kan iemand dat nieuws bekend maken als hij niet gestuurd is?"

4

Tweeërlei reactie op het evangelie: ongeloof of geloof

Er zijn mensen die deze blijde boodschap niet geloven; op hen is en blijft God toornig. Maar anderen hechten wel geloof aan die boodschap en vertrouwen zich met hart en ziel toe aan Jezus, hun Redder. Hij zorgt ervoor, dat God niet meer toornig op hen is. Hij redt hen van de eeuwige dood en geeft hun het eeuwige leven.

5

Ongeloof is een zonde, geloof is een geschenk van God

Niet God is er de schuld van dat mensen niet geloven, dat ze slecht zijn en slechte dingen doen; nee, het is hun eigen schuld. Wat wel van God komt is het geloof in Christus. Dit is een geschenk waaruit de vergevingsgezindheid van God blijkt. Het is ook een geschenk van God dat er mensen gered worden op grond van het werk van Christus.
Dat staat zo in de Bijbel: "Op grond van Gods vergevingsgezindheid bent u gered door het geloof, en dat hebt u niet te danken aan uzelf, maar het is een geschenk van God" (Ef. 2:8). Ook volgens Fil. 1:29 is het geloof in Christus een geschenk.

6

Het besluit van verkiezing en verwerping

Dat geloof geeft God niet aan iedereen. Sommige mensen krijgen het wel, anderen niet: Gods besluit daarover stond en staat voor altijd vast. In Hand. 15:18 staat dat Gods daden Hem altijd al bekend waren; en in Ef. 1:11, dat God alles zo doet als Hij dat wil en zoals Hij daarom heeft besloten.
Volgens dat besluit breekt Hij de weerstand om te geloven bij hen die Hij daarvoor uitgekozen heeft — hoewel die weerstand niet gering is. De anderen heeft Hij niet uitgekozen. Hen laat God zoals ze zijn: slecht en weerbarstig. Dat berust op een rechtvaardig oordeel van Hem.
Nu, vooral hier zien we die diep ingrijpende tweedeling die er bestaat tussen de mensen, hoewel ze zich allemaal in dezelfde uitzichtsloze toestand bevonden. Het is een onderscheid dat zowel van vergevingsgezindheid als van rechtvaardigheid getuigt.
Wij kennen dit besluit van God om sommigen als kind aan te nemen en anderen af te wijzen uit de Bijbel. Slechte en onstandvastige mensen, die de inhoud van dit besluit gaan verdraaien, halen zich daarmee hun eigen ondergang op de hals. Maar de mensen, die God aan zich wijdt en die Hem dienen, hebben er een onwrikbaar houvast aan.

7

Uitverkoren in Christus

God heeft besloten een bepaald aantal mensen als kind aan te nemen. Dat besluit staat eens en voor altijd vast.
Het houdt in dat Hij, al voor Hij de wereld had geschapen, uit de hele mensheid een aantal mensen uitkoos om te redden. Die mensen verdienen dat niet meer dan de anderen. Want alle mensen, ook al waren ze als goede mensen geschapen, werden door hun eigen schuld slecht: ze zijn er allemaal even ellendig aan toe.
Het hangt dus alleen af van Gods vrije keus en zijn vergevingsgezindheid, wie Hij als kind aanneemt. God redt hen door hen toe te vertrouwen aan Christus. God. heeft Hem, voordat Hij de wereld geschapen had, aangesteld om God bij de mensen en de mensen bij God te vertegenwoordigen (daarom wordt Christus ‘Middelaar’ genoemd) en om Hoofd (vergelijk Ef. 1:10) te zijn van allen die zijn uitgekozen. Op Hem kunnen ze aan: op grond van zijn werk worden ze gered. God heeft daarom besloten hen er toe te brengen dat zij zich aan Christus toevertrouwen. Dit is het werk van de Heilige Geest, die hierbij gebruik maakt van de Bijbel.
God wilde hun zo het enig juiste geloof in Christus geven, de juiste verhouding tussen zichzelf en hen herstellen en hen aan zich wijden. En Hij wilde hen met alle inzet beschermen door hen toe te vertrouwen aan zijn Zoon, om hen tenslotte een plaats in de hemel te geven. Dit alles om te laten zien dat Hij zich over hen ontfermt en om iedereen er toe te brengen Hem de eer ervoor te geven dat Hij zijn vergevingsgezindheid zo overvloedig laat blijken.
Zo staat het in de Bijbel: "God heeft ons uitgekozen door ons aan Christus toe te vertrouwen al voor Hij de wereld geschapen had, om aan Hem gewijd te zijn en onberispelijk te zijn in zijn ogen. Uit liefde voor ons heeft God van tevoren bepaald dat wij door Jezus Christus als zijn kinderen aangenomen zouden worden. Want zo wilde Hij het om als vergevingsgezind God geprezen te worden. Hij heeft ons immers, zonder dat wij het verdienden, zijn vergevingsgezindheid getoond door ons zijn Zoon, die Hij liefheeft, te geven" (Ef. 1:4-6);
en op een andere plaats: "Wie Hij daar tevoren voor bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen; en wie Hij heeft geroepen, die heeft Hij ook vrijgesproken; en wie Hij heeft vrijgesproken, aan hen heeft Hij ook een eervolle plaats gegeven in zijn rijk" (Rom. 8:30).

8

Er is maar één verkiezing tot de zaligheid

Het plan van God om zijn kinderen te redden is voor en na de komst van Christus hetzelfde. De Bijbel zegt immers dat God eens en voor altijd zijn keus heeft gemaakt.

9

God verkiest niet op basis van positieve factoren in de mens

Waarom neemt God een aantal mensen als kind aan? Dat gebeurt niet op grond van het feit dat God van tevoren zag, dat zij zouden gaan geloven en, als blijk van dat geloof, Hem zouden gehoorzamen. Evenmin omdat zij hun leven aan Hem zouden wijden of dat zij andere goede eigenschappen zouden hebben.
Want dan zou het zijn alsof de mensen zouden moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden op grond waarvan God hen zou aannemen. Nee, God nam hen aan met de bedoeling dat ze zouden geloven en, als blijk van dat geloof, Hem zouden gehoorzamen en hun leven aan Hem zouden wijden. Alles wat tot hun redding dient: geloof, een aan God gewijd leven, wat God verder geeft en tenslotte ook het eeuwige leven, komt dus voort uit het feit dat God hen aanneemt als kind.
De apostel Paulus zegt het zo in Ef. 1:4: "Hij heeft ons uitgekozen met de bedoeling dat wij aan Hem gewijd zouden zijn en onberispelijk zouden zijn in zijn ogen" (en dus niet omdat wij dat al waren).

10

De oorzaak van de verkiezing is het welbehagen van God

Waarom worden er mensen uitgekozen zonder dat ze het verdienen?
Alleen omdat God het wil. Het is dus niet zo dat Hij als voorwaarde heeft gesteld dat de mensen bepaalde eigenschappen moeten hebben of bepaalde dingen moeten doen om gered te worden. Nee, Gods wil houdt in dat Hij volledig uit zichzelf bepaalde mensen heeft uitgekozen om van Hem te zijn.
Want in de Bijbel staat: "Voordat de kinderen geboren waren, werd er, toen ze nog niets goeds of slechts gedaan hadden, tegen haar (namelijk Rebekka, vert.) gezegd: ‘de oudste zal de jongste dienen’ (…); zoals in het Oude Testament staat: Jacob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat" (Rom. 9:11-13).
En in Hand. 13:48: "Allen die door God gereedgemaakt waren om voor altijd te leven als zijn kinderen, geloofden de boodschap."

11

De verkiezing is onveranderlijk

God is zeer wijs en Hij heeft onbeperkte macht. Hij is alwetend en onveranderlijk. Daarom staat zijn keus onwrikbaar vast; ze kan niet veranderd of herroepen worden. Mensen die uitgekozen zijn, kunnen dus niet meer afgewezen worden.

12

Verzekering van de verkiezing door de vruchten

De mensen die uitgekozen zijn om gered te worden, worden daarvan overtuigd door God en wel wanneer Hij het wil. Die overtuiging is echter niet bij iedereen even sterk. Niet door de plannen van God uit te pluizen worden ze overtuigd; die zijn immers verborgen en niet te doorgronden.
Nee, ze worden overtuigd, wanneer ze de onmiskenbare gevolgen van het feit dat ze uitgekozen zijn bij zichzelf met vreugde opmerken. Volgens de Bijbel zijn die gevolgen o.a.: oprecht geloof in Christus, kinderlijk ontzag voor God, zo’n verdriet over hun slechtheid als God vraagt en een sterk verlangen te doen wat Hij wil.

13

Verzekerd zijn van de verkiezing geeft nederigheid en toewijding

Gods kinderen zijn er zeker van dat ze zijn uitgekozen. Dat geeft hun elke dag meer aanleiding om zich aan God te onderwerpen, Hem om zijn onuitputtelijke vergevingsgezindheid te aanbidden, alle slechtheid vaarwel te zeggen en Hem, die hen het eerst heeft liefgekregen, op hun beurt vurig lief te hebben.
Dit staat wel in schrille tegenstelling met de gedachte dat deze leer voor hen een voorwendsel zou zijn zich minder goed aan Gods geboden te houden of er maar op los te leven. Dat overkomt — en dat is Gods rechtvaardig oordeel — hen die niet zo willen leven als God het wil: ze beschouwen zich al te gemakkelijk als kind van God of praten er luchthartig over.

14

De uitverkiezing moet een plaats hebben in de prediking

De profeten, Christus zelf en de apostelen hebben deze leer in hun tijd openlijk bekend gemaakt; dat was Gods plan. Vervolgens is ze in de Bijbel vastgelegd voor het nageslacht.
Zo moet deze leer op de daartoe geëigende tijd en plaats ook nu in Gods kerk, waaraan ze in het bijzonder is toevertrouwd, uiteengezet worden, opdat God geëerd wordt en zijn kinderen er een werkelijk houvast aan hebben.
Dit moet weloverwogen en met eerbied gebeuren zonder dat men probeert het handelen van de Allerhoogste helemaal uit te pluizen.

15

God laat sommige mensen liggen in hun zondige toestand

We hebben het niet verdiend dat God ons uitkoos. Dat laat de Bijbel juist hierin zien: niet alle mensen zijn uitgekozen, maar God heeft sommigen overgeslagen. Naar eigen goeddunken heeft Hij een rechtvaardig besluit genomen, waarop Hij nooit terug zal komen; Hij laat die mensen in de ellende, die ze zelf over zich gehaald hebben en geeft het hun niet zich te bekeren en te gaan geloven. Zo blijven ze hun eigen leven leiden en blijft het vonnis van God over hen van kracht. Tenslotte veroordeelt Hij hen om voor eeuwig naar de hel te gaan vanwege hun ongeloof en al hun overige slechtheid. Dit om zijn rechtvaardigheid duidelijk te laten uitkomen.
Wij noemen dit "het besluit om mensen af te wijzen". Het betekent niet dat God de oorzaak is van het kwaad; het zou godslasterlijk zijn dat te denken. Dit besluit maakt Hem tot een onberispelijk en rechtvaardig rechter over en een geducht wreker van het kwaad.

16

Zoekende mensen hoeven niet bang te zijn voor de uitverkiezing

Nu zijn er mensen die het nog niet zo sterk ervaren dat ze oprecht in Christus geloven. Ze merken dat ze nog niet met hart en ziel op God vertrouwen, dat hun geweten nog niet tot rust gebracht is, dat ze nog niet gehoorzaam zijn aan God als een kind aan zijn vader en nog niet de drang in zich voelen Hem te prijzen om het werk van Christus. En zo vergaat het hen, ook al maken ze gebruik van de mogelijkheden waarvan God beloofd heeft: als je daarvan gebruik maakt, geef Ik je dit alles.
Ze moeten niet ontmoedigd worden, als ze horen dat er mensen zijn die God blijft afwijzen. Ze hoeven niet bang te zijn daarbij te horen, maar moeten met toewijding gebruik blijven maken van datgene, waardoor God werkt. En ze moeten vurig gaan verlangen naar de tijd waarin God duidelijker laat merken dat Hij vergevingsgezind is. Dat moeten ze tegemoet zien terwijl ze God in alles blijven gehoorzamen. Dit geldt nog veel meer voor die mensen die zich van harte willen bekeren tot God. Ze willen niets liever dan doen wat God van hen vraagt en verlangen er sterk naar bevrijd te worden van hun door het kwaad beheerste bestaan. Maar ze ervaren dat ze, hoewel ze God dienen en in Hem geloven, dit nog verre van volmaakt doen. Dat hoeft hen niet bang te maken dat zij afgewezen worden.
Heel beeldend staat dat in Mat. 12:20: "God zal een geknakte rietstengel niet afbreken en een walmende pit niet uitdoven."
Maar er zijn ook mensen die zich niets aantrekken van God en van Christus, de Redder. Ze gaan helemaal op in de beslommeringen en de genoegens van het leven hier op aarde. Hun zou de leer van de verkiezing angst aan moeten jagen, zolang zij zich niet werkelijk tot God bekeren.

17

De zaligheid en verkiezing geldt ook voor jonggestorven kinderen van gelovige ouders

Gaan kinderen van gelovige ouders als ze jong sterven naar de hemel of naar de hel?
Wij kunnen alleen maar uitspraken doen over wat God met hen wil vanuit de Bijbel. Die laat zien dat de kinderen van de gelovigen bij God horen. Dit is niet vanzelfsprekend, maar het is zo op grond van het verbond dat God met de mensen gesloten heeft, waardoor kinderen samen met hun ouders aan God verbonden zijn.
Wanneer God een kind van gelovige ouders heel jong uit dit leven wegneemt, dan moeten ze er niet aan twijfelen dat Hij hun kind als zijn kind heeft aangenomen en het eeuwige leven geeft.

18

Roem in de wijsheid en kennis van God, als je nadenkt over de verkiezing

Er zijn mensen die er zich niet bij neerleggen dat God mensen aanneemt zonder een tegenprestatie te vragen, en anderen streng en rechtvaardig afwijst. Daartegen willen we de volgende uitspraak van de apostel Paulus aanvoeren: "Mensen, wat verbeelden jullie je wel dat jullie God willen tegenspreken?" (Rom. 9:20);
en Jezus, onze Redder, zegt: "Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik wil?" (Mat. 20:15).
Maar wij, die eerbied hebben voor deze mysteries, stemmen in met de apostel Paulus, die uitroept: “O onpeilbare rijkdom van Gods wijsheid en kennis!
Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beslissingen, hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want:
Wie wist wat er in de Here omging?
Wie heeft Hem advies gegeven?
Of wie heeft iets aan Hem gegeven, waarvoor hij vergoeding zou kunnen vragen?
Want alle dingen komen uit Hem voort, bestaan door Hem en zijn op Hem gericht. Aan Hem zij de glorie in eeuwigheid. Amen" (Rom. 11:33-36).

1

Verwerping van de dwaling: God heeft alleen mensen uitverkoren, die volharden in het geloof

"God wil die mensen redden die gaan geloven en bij dat geloof blijven en Hem gehoorzamen. Dit is het enige wat er in de Bijbel staat over Gods besluit om mensen als kind aan te nemen."

Deze opvatting is misleidend voor eenvoudige mensen en doet vol strekt geen recht aan de Bijbel.
Dat God mensen die gaan geloven wil redden, is maar één kant van de zaak. De Bijbel zegt dat God, voordat Hij de wereld had geschapen,
bepaalde mensen heeft uitgekozen om hun het geloof in Christus te geven en de kracht om bij dat geloof te blijven. Vergelijk Joh. 17:6: "Ik heb die mensen uit de wereld die U mij gegeven hebt, duidelijk gemaakt wie U bent."
Hand. 13:48: "Allen die door God gereedgemaakt waren om voor al tijd te leven als zijn kinderen, geloofden de boodschap."
Ef. 1:4: "God heeft ons al voor Hij de wereld geschapen had, aan Christus toevertrouwd met de bedoeling dat wij aan God gewijd zouden zijn en onberispelijk zouden zijn in zijn ogen."

2

Verwerping van de dwaling: Er zijn verschillende verkiezingen

"God heeft een onbeperkt aantal mensen de mogelijkheid gegeven te geloven. Als ze gaan geloven, kunnen ze het geloof ook weer verliezen. Om gered te worden, moeten ze echter aan de voorwaarde voldoen dat ze bij het geloof blijven. Een vaststaand aantal mensen, namelijk zij die bij het geloof blijven, kiest Hij definitief uit om te redden. Er zijn dus mensen die geloven zonder gered te worden."

Dit is een verzinsel van mensen die de Bijbel niet in rekening brengen. Het ondergraaft de juiste leer en doorbreekt de volgende vaste reeks, die aangeeft hoe onze redding verloopt: "Wie Hij daar tevoren voor bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen; en wie Hij heeft geroepen, die heeft Hij ook vrijgesproken; en wie Hij heeft vrijgesproken, aan hen heeft Hij ook een eervolle plaats gegeven in zijn rijk" (Rom. 8:30).

3

Verwerping van de dwaling: Gehoorzaamheid aan God is de reden dat je zalig wordt

"Het plan van God om mensen te redden houdt in dat Hij als voorwaarde daarvoor heeft gekozen dat ze geloven, ook al is dat geloof onvolmaakt en gehoorzamen de mensen God niet volkomen. In zijn vergevingsgezindheid beschouwt Hij hun geloof en gehoorzaamheid als volmaakt en beloont Hij die met het eeuwige leven. Deze voorwaarde koos Hij uit alle mogelijke, waaronder ook het handelen naar zijn wet. Zo staat het in de Bijbel en niet anders."

Deze gevaarlijke dwaling berooft wat God besloten en Christus gedaan heeft van zijn kracht. Ze roept bij de mensen nutteloze vragen op waar door ze worden afgebracht van de waarheid. Want de Bijbel laat maar één uitleg toe: de mensen hebben het niet verdiend dat God de verhouding met hen herstelt.
De apostel Paulus wordt ervan beschuldigd dat hij niet de waarheid spreekt als hij zegt dat "God ons heeft gered door ons te roepen zijn volk te zijn, niet op grond van onze prestaties, maar op grond van zijn besluit en zijn vergevingsgezindheid. Hij heeft ons die laten blijken door ons, voor Hij de wereld geschapen had, toe te vertrouwen aan Christus Jezus" (2 Tim. 1:9).

4

Verwerping van de dwaling: Toegewijd leven is een voorwaarde om door God verkozen te worden

"De mensen die uitgekozen worden om te gaan geloven moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: ze moeten hun natuurlijke inzichten juist gebruiken, God dienen en nederig zijn en in alles gericht op het eeuwige leven."

Alsof Gods keus ook maar enigszins van deze zaken zou afhangen! Dat lijkt bedenkelijk veel op de opvatting van Pelagius, en is overduidelijk in strijd met de leer van de apostel Paulus. Want deze schrijft in Ef. 2:3-9: "Net als zij lieten ook wij ons vroeger beheersen door wat ons slechte hart wilde en deden wij wat er maar aan verkeerds in ons hoofd opkwam; net als de anderen waren wij kinderen op wie God zeer toornig was. Maar God, die vergevingsgezind is, had ons intens lief. Gedreven door die liefde heeft Hij ons, die dood waren ten gevolge van onze wandaden, samen met Christus het leven gegeven. Aan de vergevingsgezindheid van God hebt u uw redding te danken. Hij heeft ons samen met Christus opgewekt uit de dood en ons samen met Hem een plaats gegeven in de hemel. Zo wil God de komende generaties laten zien dat zijn onuitputtelijke vergevingsgezindheid — d.w.z. zijn goedheid voor ons die tot uitdrukking komt in Christus Jezus — alles overtreft. U hebt het te danken aan Gods vergevingsgezindheid dat u gered bent door het geloof; dat komt niet voort uit uzelf, maar het is een geschenk van God. Er is dus geen enkele reden om u op iets te laten voorstaan."

5

Verwerping van de dwaling: God heeft mensen uitgekozen, van wie Hij wist dat ze zouden geloven

"God koos voorlopig bepaalde personen uit om gered te worden. Die keus is gegrond op het feit dat Hij van tevoren zag dat ze zouden gaan geloven, zich zouden gaan bekeren, hun leven aan Hem zouden gaan wijden en zich aan zijn wetten zouden houden. Dit kan kortere of langere tijd duren. Maar zijn definitieve keus is gegrond op het feit dat Hij van tevoren zag dat bepaalde mensen tot het einde toe zouden blijven bij het geloof, zich dagelijks zouden bekeren en heel hun leven aan Hem zouden wijden en zich aan zijn wetten blijven houden. Daarom zijn volgens de Bijbel de mensen die gekozen worden, dat meer waard dan zij die niet gekozen worden. Dus het geloof in al zijn aspecten is geen gevòlg van Gods keus, maar is er voorwaarde voor. God heeft die voorwaarde van tevoren gesteld en heeft toen ook gezien dat de mensen die uiteindelijk uitgekozen zullen worden aan die voorwaarde zouden voldoen. Zonder dat daaraan voldaan is, wordt niemand definitief aangenomen als kind van God."

Dit gaat in tegen de hele Bijbel, die ons de volgende en soortgelijke uit spraken indringend voorhoudt: "De keus hangt niet af van wat mensen presteren, maar van Hem die de mensen roept" (Rom. 9:12);
"Allen die door God gereed gemaakt waren om voor altijd te leven als zijn kinderen, geloofden de boodschap" (Hand. 13:48);
"God heeft ons al voor Hij de wereld geschapen had, aan Christus toevertrouwd met de bedoeling dat wij aan Hem gewijd zouden zijn en onberispelijk zouden zijn in zijn ogen" (Ef. 1:4);
"Jullie hebben niet Mij, maar Ik heb jullie uitgekozen" (Joh. 15:16);
"Als zijn keuze gebaseerd is op zijn vergevingsgezindheid, dan niet op prestaties van mensen" (Rom. 11:6);
"Hierin komt Gods liefde uit: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft liefde voor ons opgevat en zijn Zoon gezonden" (1 Joh. 4:10).

6

Verwerping van de dwaling: Uitverkorenen kunnen verloren gaan

"Als iemand uitgekozen is, kan dat nog wel veranderen: sommige van Gods kinderen kunnen, hoewel Hij dat anders besloten had, Hem alsnog vaarwel zeggen. Die gaan voor eeuwig naar de hel."

Dit is een volkomen verkeerde opvatting: ze heeft als consequentie dat God gemaakt wordt tot iemand die niet doet wat Hij zijn kinderen beloofd heeft. Zij ondergraaft de zekerheid van de gelovigen dat ze eens en voor altijd als kind van God zijn aangenomen.
Het gaat tegen de Bijbel in, die zegt: Gods kinderen kunnen niet meer van Hem gescheiden worden (vergelijk Mat. 24:24); Christus laat niet toe dat ze naar de hel gaan (vergelijk Joh. 6:39); en: God laat hen, die Hij had uitgekozen en geroepen, en wie Hij hun schuld had kwijt gescholden, ook delen in zijn glorie (vergelijk Rom. 8:30).

7

Verwerping van de dwaling: Je kunt niet weten of je bent uitverkoren

"Tijdens ons leven heeft Gods definitieve keus geen enkel positief gevolg. We merken er niets van. Als we er al zeker van zijn, is dat afhankelijk van onzekere voorwaarden."

Het is absurd te spreken over een onzekere zekerheid. Bovendien is het in strijd met het feit dat de gelovigen ervaren dat ze zijn uitgekozen. Daarover zijn ze blij en ze geven de eer aan God.
Hun namen zijn in de hemel opgeschreven. Christus heeft gezegd dat ze daar blij om moeten zijn. (Vergelijk Lucas 10:20, waar dit tegen de discipelen wordt gezegd.) Dat ze ervaren kinderen van God te zijn maakt hen weerbaar tegen de hardnekkige pogingen van de duivel ze van Christus los te rukken. Ze kunnen zichzelf voorhouden: "Wie kan de kinderen van God beschuldigen?" (Rom. 8:33).

8

Verwerping van de dwaling: God gaat niet bewust aan bepaalde mensen in hun zondige toestand voorbij

"God heeft niet besloten iemand de gevolgen van Adams ongehoorzaamheid aan te rekenen en daarom eeuwig te vervloeken. Hij is ten opzichte van iedereen, zonder uitzondering, vergevingsgezind, zodat iedereen ook in Hem kan gaan geloven. Daaruit blijkt dat God rechtvaardig is."

Het volgende weerspreekt dit: "God ontfermt zich over wie Hij wil en als anderen zich tegen Hem blijven verzetten, is ook dat Gods werk" (Rom. 9:18);
"Aan jullie is het gegeven de geheimen van het rijk van God te kennen, maar niet aan hen" (Mat. 13:11).
Christus zegt ook: "Vader, Heer van hemel en aarde, Ik dank U dat U dit voor wijze en knappe mensen verborgen hebt gehouden, maar het aan kleine kinderen onthuld hebt. Ja Vader, Ik dank U dat U het zo hebt gewild" (Mat. 11:25,26).

9

Verwerping van de dwaling: Evangelieverkondiging vindt plaats omdat een volk beter is dan andere volken

"De reden dat God het ene volk meer van zijn boodschap laat horen dan het andere, ligt niet in het feit dat het Hem zo goeddunkt. Nee, het ene volk is het meer waard dan het andere dat er helemaal niets van te horen krijgt."

Mozes ontkent dit. Hij zegt tegen het Israëlitische volk: "Van de hoogste hemel af tot en met de aarde met alles wat daarop is, is alles onderworpen aan Jahwe uw God; maar alleen aan úw voorgeslacht heeft Jahwe zich in liefde verbonden, zodat Hij ook u, hun kinderen, heeft uitgekozen uit alle volken. Zo staat het er vandaag voor" (Deut. 10:14, 15);
en Christus zegt: "Wat ziet het er slecht voor u uit, Chorazin en Bethsaïda: als de wonderen die in u gedaan zijn in Tyrus en Sidon waren gebeurd, hadden die steden allang in zak en as gezeten en berouw getoond door hun leven te beteren" (Mat. 11:21).

Met toestemming overgenomen uit: De Dordtse Leerregels, vertaald in gewoon Nederlands; vertaald door Freerk Jan Berghuis, Jaap Jonker, George Nieboer, Rein Tromp, Pieter G.B. de Vries, Zwanetta de Vries-Por, Otto B. Wiersma en Simone Wiersma-Wieringa, 1983, Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak
hedendaags
HSV
16
leermodusleren