Paragraaf 16Zoekende mensen hoeven niet bang te zijn voor de uitverkiezing

Nu zijn er mensen die het nog niet zo sterk ervaren dat ze oprecht in Christus geloven. Ze merken dat ze nog niet met hart en ziel op God vertrouwen, dat hun geweten nog niet tot rust gebracht is, dat ze nog niet gehoorzaam zijn aan God als een kind aan zijn vader en nog niet de drang in zich voelen Hem te prijzen om het werk van Christus. En zo vergaat het hen, ook al maken ze gebruik van de mogelijkheden waarvan God beloofd heeft: als je daarvan gebruik maakt, geef Ik je dit alles.
Ze moeten niet ontmoedigd worden, als ze horen dat er mensen zijn die God blijft afwijzen. Ze hoeven niet bang te zijn daarbij te horen, maar moeten met toewijding gebruik blijven maken van datgene, waardoor God werkt. En ze moeten vurig gaan verlangen naar de tijd waarin God duidelijker laat merken dat Hij vergevingsgezind is. Dat moeten ze tegemoet zien terwijl ze God in alles blijven gehoorzamen. Dit geldt nog veel meer voor die mensen die zich van harte willen bekeren tot God. Ze willen niets liever dan doen wat God van hen vraagt en verlangen er sterk naar bevrijd te worden van hun door het kwaad beheerste bestaan. Maar ze ervaren dat ze, hoewel ze God dienen en in Hem geloven, dit nog verre van volmaakt doen. Dat hoeft hen niet bang te maken dat zij afgewezen worden.
Heel beeldend staat dat in Mat. 12:20: "God zal een geknakte rietstengel niet afbreken en een walmende pit niet uitdoven."
Maar er zijn ook mensen die zich niets aantrekken van God en van Christus, de Redder. Ze gaan helemaal op in de beslommeringen en de genoegens van het leven hier op aarde. Hun zou de leer van de verkiezing angst aan moeten jagen, zolang zij zich niet werkelijk tot God bekeren.

Met toestemming overgenomen uit: De Dordtse Leerregels, vertaald in gewoon Nederlands; vertaald door Freerk Jan Berghuis, Jaap Jonker, George Nieboer, Rein Tromp, Pieter G.B. de Vries, Zwanetta de Vries-Por, Otto B. Wiersma en Simone Wiersma-Wieringa, 1983, Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak

Bewijsteksten

a

Want zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder de werken dood. Jakobus 2:26

Want dit is onze roem: het getuigenis van ons geweten dat wij ons in eenvoud en oprechtheid voor God, niet in vleselijke wijsheid, maar in genade van God gedragen hebben in de wereld, en in het bijzonder ten opzichte van u. 2 Korinthe 1:12

En dit niet alleen, maar wij roemen ook in God, door onze Heere Jezus Christus, door Wie wij nu de verzoening ontvangen hebben. Romeinen 5:11

Want wij zijn de besnijdenis, wij die God in de Geest dienen en in Christus Jezus roemen en niet op het vlees vertrouwen. Filippenzen 3:3

b

Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood? Romeinen 7:24

c

Het geknakte riet zal Hij niet verbreken, de uitdovende vlaspit zal Hij niet uitblussen; naar waarheid zal Hij het recht doen uitgaan. Jesaja 42:3

Het geknakte riet zal Hij niet breken en de walmende vlaspit zal Hij niet doven, totdat Hij het oordeel uitvoert tot overwinning. Mattheüs 12:20

d

Want onze God is een verterend vuur. Hebreeën 12:29

En bij wie in de dorens gezaaid is, dat is hij die het Woord hoort; maar de zorgen van deze wereld en de verleiding van de rijkdom verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar. Mattheüs 13:22

hedendaags
HSV
onder tekst
16
leermodusleren