Paragraaf 4Gelovigen kunnen vallen in verzoekingen

De macht van God, waardoor Hij de gelovigen bij hun geloof laat blijven, is dus altijd sterker dan de slechte aard van de mensen. Toch wordt het leven van de gelovigen niet zo door God gestuurd dat ze niets verkeerd kunnen doen. Soms worden ze verleid door hun slechte aard en gaan ze in tegen de leefregels die God gegeven heeft; dat is hun eigen schuld. Daarom moeten ze steeds op hun hoede zijn en ervoor bidden dat ze niet in verleiding gebracht worden. Anders is de kans groot dat ze afschuwelijke dingen gaan doen, daartoe aangezet door het slechte in henzelf, door de ongelovigen en door de duivel. Inderdaad laat God dat soms toe, en ook daarin is Hij rechtvaardig.
De Bijbel laat ons dit zien in het leven van David, Petrus en andere aan God toegewijde mensen. Zelfs zij begingen ernstige misstappen.

Met toestemming overgenomen uit: De Dordtse Leerregels, vertaald in gewoon Nederlands; vertaald door Freerk Jan Berghuis, Jaap Jonker, George Nieboer, Rein Tromp, Pieter G.B. de Vries, Zwanetta de Vries-Por, Otto B. Wiersma en Simone Wiersma-Wieringa, 1983, Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak

Bewijsteksten

a

En wat de allesovertreffende grootheid van Zijn kracht is aan ons die geloven, overeenkomstig de werking van de sterkte van Zijn macht. Efeze 1:19

b

Waak en bid, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. Mattheüs 26:41

Laten wij dan niet, evenals de anderen, slapen, maar laten wij waakzaam en nuchter zijn. 1 Thessalonicenzen 5:6

Bid zonder ophouden. 1 Thessalonicenzen 5:17

c

Tegen de avond gebeurde het dat David opstond van zijn slaapplaats en op het dak van het huis van de koning wandelde. Vanaf het dak zag hij een vrouw die zich aan het wassen was; deze vrouw nu was heel knap om te zien. David stuurde een bode en liet naar deze vrouw vragen; en men zei: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uria, de Hethiet? Toen stuurde David boden en liet haar halen. Toen zij bij hem gekomen was, sliep hij met haar – zij had zich zojuist van haar onreinheid gezuiverd. Daarna keerde zij terug naar haar huis. 2 Samuël 11:2-4

En hij ontkende het opnieuw, met een eed, en zei: Ik ken de Mens niet. Kort daarna zeiden zij die daar stonden en dichterbij kwamen, tegen Petrus: Werkelijk, u bent een van hen, want uw spraak verraadt u. Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de Mens niet. En meteen kraaide de haan; en Petrus herinnerde zich het woord van Jezus, Die tegen hem gezegd had: Voordat de haan gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. Toen ging hij naar buiten en huilde bitter. Mattheüs 26:72-75

hedendaags
HSV
onder tekst
16
leermodusleren